DDR eend tr M eit

…_ eve Tere

+

ze 04 at st PL sgâeratete 445!

p eee ene ed em mat ne we

TEE eli

koistrhsere rad nd eter ri Hisdnt pig Art en

rr

gea pa en

„agar st 74

Linser ‚4

2 ie, GES

WANDS. ri

OMAN,

m

d

ho

Ref - 8’ En

ein

jn

re

* wet.

nT Pa ‚n dd

REVUE DEN DEUX MONDES. 1852,

Ondanks de groote uitbreiding welke dit Zijdschrif? in de jongste jaren ondergaan heeft, ziet de Direktie daarvan tegen geene opofferingen op, om het belang daarvan te verhoogen. |

Kosteloos zal op nieuw een Annuaire aan de in- teekenaren op den vollen jaargang worden toegezon- den, die in belangrijkheid niet zal behoeven onder te doen voor het voor geschiedemis, statistiek, enz., zoo omvattende Jaarhoek over 1850 1851.

Bovendien zullen, in de Aevue zelve, portretten en geographische kaarten worden gevoegd; die gra- vures zullen door den beroemden Henrique Dueonr en de graveurs der Fransche marine worden uitge- voerd, en niet weinig tot verfraaiing van den ech- den druk der Pevue verstrekken. Trouwens ook voor degelijkheid van den inhoud zal voortdurend de meeste zorg worden gedragen. Wetenschappen en letteren zullen in hare ontwikkeling binnen- en bui- ten ’s lands gezet worden bijgehouden; staatkunde, handel en nijverheid steeds door gezaghebbende schrij- vers vertegenwoordigd en de aardrijkskundige kennis door regtstreeksche verbindtenissen met onderscheidene werelddeelen bevorderd worden.

De inhoud van elke aflevering staat gelijk met een gewoon boekdeel van 500 bladz. De prijs van den jaargang der Mevue met bijvoeging van de gravuges, portretten en den Annuarre is in Nederland, bij Gebr. Berivrante, te ’s Gravenhage, f 20.—; te Ba- tavia bij Lance & Co. f 83,— met vooruit betaling van het jaar. Elke jaargang bestaat uit 24 afleve- ringen. Behalve den meerderen spoed en de volle- digheid van dezen oorspronkelijken druk, hebben de inschrijvers daarop het gevaar niet te beloopen, dat, bij het sluiten ven overeenkomsten tot handhaving van den letterkundigen eigendom, de nadruk in het midden van den jaargang zou kunnen worden ge- staakt.

Á

El

GHEL ,

NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT

VOOR : if

NEDERLANDSCH INDIË, |

le UITGEGEVEN DOOR IAS Ps

| | DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING

hd

IN

NEDERLANDSCH INDIE.

DERDE JAARGANG. Aflevering KH. f

NE an ZDM MUS

/

BATAVIA, | | LANGE & Co. Ig 1S 5d.

ALGEMEEN VERSLAG

WERKZAAMHEDEN

VAN DE

NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDERLANDSCH INDIE,

OVER HET JAAR 1851,

VOORGELEZEN IN DE 2DE ALGEMEENE VERGADERING, GEHOUDEN DEN

ADEN FEBRUARIJ 1852 TE BATAVIA; DOOR

Dr. P. BLEEKER, President der Vereeniging, R.O.N. L.,

Lid der Keizerlijke Akademie van Natuuronderzoekers enz.

Ten tweeden male valt mij de eer te beurt, namens het bestuur der Vereeniging, verslag te doen van hetgeen tot bloei der Vereeniging en tot uitbreiding der natuurwetenschappen in Nederlandsch Indië is verrigt.

_ Deze taak wordt gemakkelijk gemaakt, omdat het in het pas vervlogen jaar niet heeft ontbroken aan veelzijdige werk- zaamheden van de leden en aan toenemende belangstelling van buiten, terwijl de Vereeniging met rassche doch vaste schreden in bloei is vooruitgegaan. En te meer is deze taak ligt te vervullen, omdat ik voor het grootste gedeelte slechts heb te verwijzen, naar hetgeen reeds door de Vereeniging tot alge-

meene bekendheid is gebragt. Daaruit is voldoende na te UI. 1

2

gaan het voornaamste, wat de Vereeniging in den afgeloopen jaarkring voor de wetenschap heeft gedaan.

Alles duidt in Nederlandsch Indië op vooruitgang. De ver- schijnselen daarvan zijn voor elken opmerker duidelijk waar- neembaar. De koelheid van vroeger dagen voor verbeteringen in zedelijkheid, opvoeding, onderwijs, maatschappelijke regten, heeft plaats gemaakt voor eene opgewektheid voor het goede in alles, welke niet zal nalaten, hare vruchten in nog ruimere mate af te werpen, dan tot heden reeds is geschied. En deze heilrijke, levendmakende en de maatschappij verjeugende adem omvat niet slechts de dadelijke behoeften der Indisch-Europe- sche maatschappij, maar ook die der inlandsche bevolkingen en de hoogere wetenschappen.

Overal ter wereld, waar de maatschappij in ontwikkeling groote voortschreden maakt, uit zich de volheid, de overvloed van haar leven door weldadige uitstrooming naar bui- ten, door zucht en streven naar hoogere doeleinden, dan voldoening van stoffelijke behoeften. Waar men dit streven waarneemt, kan men zeker zijn, dat de maatschappij een tijdperk van hoogeren bloei te gemoet gaat. De voorspelling voor Nederlandsch Indië is alzoo niet twijfelachtig.

Gaan wij eenige oogenblikken terug M.H., niet in het ver- ledene, maar tot den toestand der Indísch-Europesche maat- schappij, nog geene twee tientallen jaren geleden. Welke blijken van leven hebben de eerste decenniën dezer eeuw hier in het zedelijke en wetenschappelijke nagelaten? Te vergeefs zoeken wij naar die vertegenwoordigers van vooruitgang in de kunsten en wetenschappen, welke wij gewoon zijn tijdschriften te noemen. Tot op pas Í3 jaren geleden bestond in Neder- landsch Indië nog geen enkel bepaald periodiek orgaan voor eenig vak van wetenschap of kunst, en thans reeds is het 10de Tijdschrift in zijne geboorte, terwijl twee Jaarboekjes voor de fraaije letteren, als liefelijke sterren, aan den Java- schen hemel hunnen zachten glans hebben medegedeeld. Wel is waar is een dier jaarboekjes:' en zijn de „Kopiiïst”’, het „Natuur- en Geneeskundig Archief,” het „Indisch Archief”

‚e

RJ

en het „Tijdschrift ter bevordering van Christelijken zin” weder te niet gegaan en is het „Tijdschrift voor Nederlandsch Indië’ op den bodem van het moederland overgeplant, doch verheu- gen mogen wij ons, dat thans nog d tijdschriften gelijktijdig hier bloeijen en de aanstaande bloei van het opgerigt wordende Ade tijdschrift niet twijfelachtig is.

„Die gelijktijdige bloei van verschillende tijdschriften, het eene vertegenwoordigende de regtswetenschappen, het andere de geneeskundige en het derde de natuurkundige wetenschap- pen, allen bestaande naast de aan inhoud steeds rijker wor- dende Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, is een van de sprekendste blijken der ontwikkeling van den wetenschappelijken zin in Neder- landsch Indië.

Te midden van deze wetenschappelijke werkzaamheid is onze Vereeniging in het leven getreden, en thans, naauwelijks 18 maanden na hare oprigting, kan van haar gezegd worden, dat zij rang begint te nemen tusschen de instellingen van der- gelijken aard in Europa. De blijken daarvan zijn nedergelegd in hare Openbaar gemaakte werkzaamheden. De laatste afle- vering van den 2den jaargang van haar tijdschrift ligt hier ter tafel, en deze tweede jaargang overtreft in gehalte aan- merkelijk den eersten. Deze wel gewenschte en min of meer voorspelde, maar niet bepaald verwachte gunstige uitkomst is te danken aan de levend makende kracht, welke onze Veree- niging en haar orgaan hebben geoefend op de natuurkundigen in deze’ gewesten, aan welker kiemende of teruggehoudene

werkzaamheid de weg werd geöpend, om de vruchten van

hunne nasporingen spoedig tot algemeene bekendheid te doen geraken. Die gunstige uitkomst is tevens en niet minder te danken aan de belangstelling van velen onzer leden, die,

hetzij door eigen onderzoekingen, hetzij door. toezending van

belangrijke voorwerpen of verzamelingen, de direktie in de gelegenheid hebben gesteld, daarmede de wetenschap te ver- rijken.

De direktie vervult daarom gaarne de taak, hare erkente-

4

lijkheid te betuigen aan de HH. leden G. F. pe Bruun Kors, S. BiNNenNpijK, J. Grorn, J. Haarman Jcz., C. Herer, C. F. A. SCHNEIDER, J. E. TeismanN en G. Wassink, die zich jegens de Vereeniging hebben verdienstelijk gemaakt door het inzen- den van schriftelijke bijdragen; alsmede aan de heeren J. G. X. BroexKmeieErR, Mr. A. G. Brouwer, G. F. pe Bruun Kors, D. Buur, G. GC. Daum, Dr. J. Eintnoven, J. M. van Leer, J. E. van Leeuwen, M. T. Rercue, D. FE. Scraar, H. W. SCHWANENFELD en J. Worrr, die min of meer belangrijke ver- zamelingen van naturaliën der Vereeniging hebben aangeboden.

Niet minder aangenaam is de taak der direktie, hier den dank der Vereeniging uit te drukken aan het Gouvernement dezer gewesten, voor de welwillendheid en bereidvaardigheid, waarmede het der bereiking van de bedoelingen der Vereeni- ging bij voortduring bevorderlijk is, door het aanbieden ter opname in hef tijdschrift der Vereeniging van belangrijke stukken, welker publiekmaking tot den werkkring onzer in- stelling behoort. Aan dezen verlichten zin der regering is het te danken onder anderen, dat de geographische, statistische en geologische verhandelingen van de HH. Corrs. pe Groor, Mr. D. W. C. BARON VAN LINDEN, H. von GAFFRON en van wijlen H. L. Osrnorr en handelende over Bawean, Solor, Allor, Rotti, Savoe, Borneo en Sumatra, ter kennis van het wetenschappe- lijke publiek gebragt zijn kunnen worden. -

Evenmin als in het eerste algemeen verslag van de verrig- tingen onzer instelling, zal de direktie zich veroorloven, een oordeel over den 2den jaargang des tijdschrifts uit te spreken, welk oordeel behoort te worden gelaten aan het wetenschap- pelijke publiek buiten haar.

Wel echter verdient hier vermelding, dat de werkzaamheden onzer Vereeniging zich geenszins hebben bepaald tot de uitgave slechts van haar tijdschrift. De vergaderingen der direktie hebben minstens tweemaal ’s maands plaats en strekken niet slechts ter bespreking van de belangen des tijdschrifts, maar hebben tevens het doel, de behandeling van die onderwerpen, welke in het natuurwetenschappelijke nog onbesliste punten

5

zijn, alsmede te beraadslagen over die middelen, welke dien- stig kunnen zijn, om den wetenschappelijken zin in Neder- landsch Indië op te wekken en den bloei der natuurweten- schappen en dien onzer instelling te verhoogen, terwijl daarin tevens worden ter tafel gebragt en besproken de naturaliën , welke der Vereeniging van elders worden aangeboden.

Het ligt in den aard onzer instelling, dat, behalve de ver- gaderingen der direktie, nog gehouden worden gewone verga- deringen, tot welker bijwoning alle te Batavia aanwezige leden worden uitgenoodigd. Deze vergaderingen hebben ten doel, het houden van bepaalde wetenschappelijke voordragten en mededeelingen, zoowel door de leden des bestuurs als door de gewone leden. Van deze vergaderingen hebben er in den loop van het vorige jaar drie plaats gehad, allen ten huize van ons honorair lid Z. H. K. B. Herroe van Saxsen Wemtan ErsenacH, die daartoe met welwillendheid zijne woning heeft afgestaan. Deze vergaderingen hebben de belangstellende bij- woning van de ter hoofdplaatse aanwezige leden mogen on- dervinden en zijn zonder twijfel den daarbij tegenwoordig geweest zijnde leden nog aangenaam in het geheugen. Volgens een in de eerste maanden van het vervlogen jaar genomen besluit zijn de notulen dezer vergaderingen in het tijdschrift opgenomen.

De toevloed van schriftelijke bijdragen is van dien aard geweest, dat de direktie heeft moeten besluiten, aan het tijd- schrift een’ grooteren omvang te geven dan aanvankelijk was bepaald. Terwijl toch ín het prospectus van het tijdschrift was gezegd, dat één jaargang uit ongeveer 30 vellen druks zou bestaan, is reeds de tweede jaargang tot een volumen van 43 vellen geklommen en dus meer dan Vs in omvang toegenomen, zonder dat evenwel de inteekeningsprijs is ver- hoogd geworden. En thans, nu-de tweede jaargang is vol- tooid, zal de direktie tot eene nieuwe uitbreiding moeten

overgaan , indien niet geldelijke bezwaren zich daartegen ver- heffen.

6

Thans zijn reeds beschikbaar voor den derden jaargang de volgende bijdragen.

Geognostisch uitstapje naar de zuidkust van Ceram, door C. F. A. SCHNEIDER.

Over minerale wateren van Java, door Dr. P. W. Korraars.

Waarnemingen voor de astronomische plaatsbepaling van Batavia, door S. H. pr Lanaer.

Bijdrage tot de geologische kennis van Blitong, door Corns. DE GROOT.

Nog iets over de Manihot utilissima of Maniok en Cassave in Amerika (Obi dangdur op Java), door J. E. Trus- MANNe

Rapporten over de drooging met ondergrondsleidingen op Java, door Dr. P. F. H. Frousrra en P. Dranp.

De zoogenaamde witte stof , afgescheiden door het Kochenille- insekt, scheikundig onderzocht door D. W. Rost van TONNINGEN.

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Singa- pore, door referent.

Bydrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Suma- tra, door referent.

Scheikundig onderzoek van het minerale water Banjoe assin, door P.J. Marer.

Bijdrage tot de kennis der zoetwaterfauna van Blitong, door referent.

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Túmor, door referent.

Bydragen tot de flora van Nieuw-Guinea, Banda, Amboina, Timor en Celebes, nagelaten door ZrrPeLus.

Over de oorzaken van de mislukking der koffijkultuur in Kadoe, door Dr. P. F. H. Frougrre:

Evenzeer als wij ons mogen verblijden over deze mede-

‘werkende deelneming in ons tijdschrift, hebben wij ook re-

den, om ons te verheugen over de onverwachte ondersteuning

daarvan door betrekkelijk talrijke inteekeningen. In het vo-

\

7

rige algemeen verslag is mededeeling gedaan, dat toen (Fe- bruarij 1851) ruim 100 inteekeningen het tijdschrift hadden vereerd. Sedert is het aantal inteekeningen tot ruim 170 geklommen en houdt zich sedert eenige maanden op dat ge- tal staande, niettegenstaande enkele inteekenaren voor verdere deelneming daaraan hebben bedankt en anderen zijn overleden of naar Europa vertrokken. Dit aantal is te meer opmerke- lijk, omdat de HH. leden van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Nederlandsch Indië , wegens de aan het tijdschrift verleende en hier nogmaals dankbaar erkende geldelijke ondersteuning van dit Genootschap, elk een exemplaar van het tijdschrift gratis ontvangen en overi- gens het Indische publiek, van hetwelk deelneming verwacht kon worden, nog weinig talrijk is. Deze ruimere deelneming dan vermoed was, heeft er toe geleid, de oplage van het tijdschrift van 500 op 600 exemplaren te brengen, zijnde van den eersten jaargang reeds geene exemplaren meer be- schikbaar.

Het is u reeds bekend M.H., dat 50 exemplaren van het tijdschrift geregeld werden gezonden aan den boekhandelaar Van HennineeN te Utrecht. Van dezen boekhandelaar is echter tot nog toe geen berigt ontvangen, omtrent hetgeen hij in Nederland tot verbreiding van het tijdschrift heeft gedaan of niet gedaan, en daar in Nederland geklaagd wordt over de niet- of moeijelijke verkrijgbaarheid van hetzelve, heeft de di- rektie besloten, de aan den heer Van HeisninGEN gezondene exemplkren terug te verzoeken en ze te doen geworden aan den boekhandelaar Van per Post te Utrecht, met uitnoodi-_ ging om ze verder in den boekhandel in Nederland te bren- gen. | E

Overeenkomstig de bepaling, vermeld in het vorige algemeen verslag, zijn exemplaren van het tijdschrift verzonden aan de voornaamste wetenschappelijke genootschappen in Nederland en het overige Europa, alsmede aan de Asiatic Society te Calcutta.

. Ö

Ik moet thans overgaan tot de vermelding van eenige an- dere verrigtingen en beslaiten der Vereeniging gedurende het afgeloopen jaar. Deze hebben betrekking tot

a. De herziening van: het reglement der Vereeniging.

b. De oprigting van eene bibliotheek en museum.

c. Het tot stand brengen van eene tentoonstelling te Batavia van de produkten der natuur en der industrie van den Indischen Archipel.

d. De benoeming van Korresponderende en Gewone leden.

In artikel 37 van het reglement der Vereeniging is bepaald, dat het reglement aan eene herziening zal onderworpen worden tegen het einde van het jaar 1851-— Gedurende het in werking zijn van het reglement is gebleken, dat het eenige wijzigingen behoeft, en in opvolging van gezegd artikel heeft de direktie een ontwerp opgemaakt van nieuwe wetten, hetwelk zoo aan- stonds aan de beoordeeling der Vergadering zal worden onder- worpen.

Wat de oprigting van eene bibliotheek en museum betreft, hiervoor zijn de eerste grondslagen gelegd. Reeds is de Ver- eeniging vereerd met eenige boekgeschenken en met verschil- lende naturaliën, door hare leden en deels door buiten Indische geleerden aangeboden. Daar evenwel de Vereeniging tot nog zonder geldelijke kontributie der gewone leden bestaat, zijn geene fondsen beschikbaar tot spoedige en krachtige uitbrei- ding van de boekerij en verzamelingen der Vereeniging; doch de direktie, vertrouwende op de belangstelling van het weten- schappelijke publiek, noodigt een ieder uit, tot die uitbreiding bij te dragen, door het aanbieden van boekwerken of natura- liën, zullende daarvan in het tijdschrift dankbaar melding wor- den gemaakt.

Eene andere verrigting onzer Vereeniging in het belang der wetenschap en der industrie is geweest, de benoeming eener Kommissie uit haar midden voor het tot stand brengen te Ba- tavia van eene Tentoonstelling van produkten der natuur en der industrie van den Indischen Archipel. Het denkbeeld daarvan heeft zich ontwikkeld uit een voorstel van onzen sekretaris,

9

den heer H. D. A. Smrrs, ten doel hebbende , hier eene kom- missie daar te stellen ter verzameling van voorwerpen van Indischen volksvlijt voor de in Julij dezes jaars te houden tentoonstelling te Arnhem. Dit voorstel, hetwelk door de direktie gereedelijk werd toegejuicht, heeft aanleiding gegeven got het raadplegen over deze aangelegenheid van eenige voorna- me ingezetenen ter dezer hoofdplaatse, met name de HH. L. M. F. Prater, P. van Rees, E. W. Cramerus, A. A. Reen en B. J. Weimar en eene bijeenkomst, met deze heeren gehouden, heeft geleid tot eene wijziging in het voorstel van den heer Súrrs, hierop neder- komende, dat men zou trachten, ih plaats van voorwerpen bijeen te brengen voor de bedoelde expositie te Arnhem, eene tentoonstelling ter dezer hoofdplaatse zelve in het leven e roepen. Tot deze wijziging werd men geleid door de over- weging, eensdeels dat de nog beschikbare tijd voor het ver- zamelen van voorwerpen voor de aanstaande Arnhemsche ten- toonstelling te kort zou zijn, en ten andere, dat eene tentoonstel- ling ter dezer hoofdplaatse geheel zou wezen in het belang der industrie in Nederlandsch Indië en krachtig tot de ontwikke- ling daarvan zou kunnen bijdragen. De Vereeniging is omtrent deze, in haar oog belangrijke, aangelegenheid getreden in | briefwisseling met het gouvernement en het is der direktie een genoegen, te kunnen mededeelen, dat haar plan bij de regering weerklank heeft gevonden en dat het gouvernement de toezegging heeft verleend, om de verrigtingen ten onder- werpelijke zake der Vereeniging krachtdadig te ondersteunen.

De direktie heeft voorts gemeend, zich te moeten vereeni- gen met het gevoelen der regering, dat, zal de onderwerpe- lijke tentoonstelling beantwoorden aan hare bedoeling, eene tijdruimte moet gelaten worden, voldoende, om ook de bui- tenbezittingen er behoorlijk vertegenwoordigd te kunnen heb- ben, en zij heeft daarom besloten, de expositie vast te stellen tegen de maand September 1853. Na deze voorloopige regeling is de direktie verder te rade geworden, om te trachten, in het belang der zaak, te geraken tot de vorming eener Algemeene Kommissie, zamengesteld uit de kommissie uit den boezem der

10

Vereeniging, bestaande uit de heeren Corxs. pe Groor, P. J. Mater, P. Baron Mervirn van CannBee en H. D. A. Saurs; voorts uit de vijf heeren, hierboven genoemd; alsmede uit de heeren S. D. Scurmrr, direkteur der kultures, W. J. van De Graarr, direkteur der middelen en domeinen, Dr. W. Boscu , Chef der Geneeskundige dienst en president van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, D. van Scnreven, president der Afdeeling Batavia van de Maatschappij tot nut van het algemeen, J. TrouPp, hoofd-ingenieur van den wa- terstaat, E. A. Scmirr, ontvanger der inkomende en uitgaande regten te Batavia, C. Denninenorr, rijtuig-fabrijkant, A. Fraser , koopman, J. T. Bik, landeigenaar , en uit nog eenigen der voornaamste vertegenwoordigers van de industrie en landbouw in deze gewesten. Het is het voornemen der direktie om, na tot stand koming dezer algemeene kommissie, het verdere beleid dezer aangelegenheid aan haar over te dragen.

Ik kan thans gevoegelijk overgaan tot de vermelding der sedert de laatste algemeene vergadering plaats gehad hebbende benoemingen.

Blijkens «het vorige algemeen verslag was het voornemen - der Vereeniging, om niet tof de verkiezing van Korresponde- rende leden over te gaan, dan nadat de fste jaargang van het tijdschrift in Europa bekend zou zijn en de Vereeniging vas- ter gevestigd. Er bestaan sedert eenige maanden geene rede- nen meer, om die benoemingen niet te doen plaats hebben en de direktie heeft daarom in hare vergadering van 19 Ja- nuarij j.l. uit eene opgemaakte lijst van kandidaten tot MKor- responderende leden verkozen de HH.

C. L. Bruur, Hoogleeraar te Leiden, R. O.N.L. enz.

S. G. van Brrpa, Hoogleeraar, Sekretaris van de Holland- sche Maatschappij vaan Wetenschappen te Haarlem, enz.

J. van per Hoeven, Hoogleeraar te Leiden, R. O. N. L. enz.

F. Kaiser, Hoogleeraar te Leiden, enz.

R. Logarro, Hoogleeraar te Delft, R. O.N.L., enz.

F. A. G. Mrquer, Hoogleeraar te Amsterdam, enz.

G. J. Murper, Hoogleeraar te Utrecht, Komm. O. N. L., enz.

11

R. van Rees, Hoogleeraar te Utrecht, R.O.N. L., enz.

G. Smrons, Direkteur der Koninklijke Akademie te Delft, enz.

C. J. Temminck, Direkteur van ’s Rijks-Museum van Natuur- lijke geschiedenis te Leiden, R.O. N. L., enz.

W. Vrorik, Hoogleeraar te Amsterdam, R.M. W. O., enz.

Voorts is sedert de jongste algemeene vergadering het Ge- woon lidmaatschap aangeboden aan de volgende HH.

A. J. AnpreseN, Majoor der infanterie, kommandant der troepen in Westelijk Borneo, R. M. W.O.

T. Arriëns, Kontroleur ste kl. te Magelang.

S. BINNENDIJK, Adsistent hortulanus bij ’s lands plantentuin te Buitenzorg.

S. L. BrANKENBURG, Officier van gezondheid íste kl. te Bata- via.

J. G. X. Brorkueuer, Officier van gezondheid 2de kl. te

Pasoeroean.

Mr. A. G. Brouwer, te Batavia.

G. C. Daum, Adjunkt-administrateur bij Z. M. marine.

H. von DewarrL, Civiel-gezaghebber ter zuidoostkust van Borneo.

H. von Garrron, Direkteur der steenkolenmijnen te Oranje Nassau (Borneo).

Jkhr. T. J. H. Gevers, Kapitein der genie te Willem I.

J. Haerman Jcz., Ambtenaar te Soerabaja.

Dr. J. Hartrzrerp, Officier van gezondheid fste kl. te Am- boina.

C. Herer, Sekretaris van Z. H. K. B. Hertoa vAN SAKSEN Weimar EiseNaca.

_P. Jakes, Officier van gezondheid 2de kl. ter Sumatra’s

Westkust.

J. M. van Leer, Officier van gezondheid fste kl. te Palem- bang.

J. E. Van Leeuwen, Kontroleur Íste kl. te Patjitan.

Mr. D. W. J. C. Baron vaN LinpeN, Resident van Timor.

12

H. Ravenswaars, Administrateur van ’s Rijks magazijn van geneesmiddelen te Batavia.

M. T. Rercne, Officier van gezondheid 2de kl. te Batavia.

D. F. Scnaap, Resident van Banka.

A. Scranter, Apotheker 3de kl. bij het groot hospitaal te Weltevreden.

S. D. Scumrr, Direkteur der kultures , R. O.N. L., te Batavia.

Dr. F. C. Scrwrr, Officier van gezondheid 2de kl. te Pa- dang.

FE. Semurr, Officier van gezondheid fste kl. te Batavia.

C. F. A. Scuneimer, Officier van gezondheid 3de kl. bij Z. M. marine. ij

C. H. G. Srruerwarp, Luitenant kolonel der artillerie, R. O. N. L. en Ridder der Zwaardorde van Zweden en Noorwegen, te Batavia.

V. BARON VAN TUIJLL VAN SEROOSKERKEN, Kamerheer van Z. M. den Koning der Nederlanden , tijdelijk te Batavia.

D. J. Uarengeck, Kapitein der genie, R. M. W. O., te Padang.

G. Wassink, Dirigerend officier van gezondheld áste kl., R.M. W.O., te Batavia.

D. F. Worrson , Luitenant ter zee 2de kl, R. O.N. L.

Overeenkomstig artikel 15 van het: reglement der Vereeni- ging zijn de President, Sekretaris en Hoofdredakteur der Ver- eeniging op het einde van het vorige jaar afgetreden. Bij de nieuwe verkiezingen zijn de keuzen voor die betrekkingen bij akklamatie op dezelfde personen uitgebragt en hebben zij de nieuwe verkiezingen aangenomen, zoodat in de leiding der Vereeniging en de redaktie van het Tijdschrift geene veran- dering is gekomen.

Der direktie is een gevoelige slag toegebragt door het over- lijden van den heer ScnwaneR, die in den bloei zijner jaren van haar is weggenomen en van wien zij regt had nog veel te verwachten. De Vereeniging heeft hulde gebragt aan.zijne nagedachtenis in het levensberigt, voorkomende in de 2de aflevering van den 2den jaargang van het tijdschrift.

18

Voorts hebben de volgende bewegingen in de direktie plaats gehad.

Teruggekomen te Batavia, de heer Corns. pr Groor, van onderzoekingsreizen in Oost-Java, op Madura, Bawean en Blitong (sedert weder vertrokken naar Soerabaja).

Vertrokken naar Padang, de heer J. C. R. Sreinmerze

Gekozen tot lid der direktie de heer S. H. pr Lanae.

Vertrokken naar Menado, de heer S. H. pr Lanar.

Overigens heeft de Vereeniging zich te verheugen, dat geen der gewone leden haar in het afgeloopen jaar door den dood ontvallen is. |

Het is echter niet dan met een smartelijk gevoel, dat de direktie hier melding moet maken van eene voor de Veree- niging te betreuren omstandigheid. Ik bedoel het vertrek naar Europa tot herstel van gezondheid van ons honorair lid Z. H. K. B. Herron vaN SaKSEN Weimar EisenNacn. Heeft onze Ver- eeniging veel van hare kracht ontvangen door den onvermoei- den ijver harer leden, véél heeft zij ook te danken aan den opwekkenden en beschermenden invloed, welke Z.H. op haar had en ten haren nutte gedijen deed. Terwijl de direktie de verpligting op zich voelt rusten, zulks hier met erkentelijkheid te gedenken, drukt zij den wensch uit, welke gewis die van ons allen is, dat de zoo zeer geschokte gezondheid van den edelen vorst spoedig moge herstellen en hij moge behouden blijven voor alle gewigtige belangen, welke aan zijn kostbaar leven zijn verbonden.

Vier onzer gewone leden, de HH. G. M. Bieckmann, C. Herer, P.F. Uurenpeek en H. A. Mopperman zijn naar Nederland terugge- keerd. Vleijen wij ons, dat deze heeren, in het moederland aangekomen, voor de Vereeniging werkzaam zullen blijven en hare belangen aldaar bevorderen.

Ten opzigte van de finantiële aangelegenheden der Vereeni- ging acht de direktie zich gehouden, de volgende opmerkingen onder de aandacht der vergadering te brengen.

14

Gedurende het thans anderhalfjarig bestaan onzer instelling is geene kontributie, van welken aard ook, van de gewone leden noodig geoordeeld. Tot nu toe zijn alle kosten door de leden van het bestuur gedragen. De vergaderingen der direktie hebben bij afwisseling plaats gehad ten huize van een der leden des bestuurs en voor de gewone vergaderingen heeft ons honorair lid Z. K. K. B. Hertoe van Saksen Wervar Er- SENACH telkenmale met welwillendheid zijne woning geöpend niet alleen, maar ook met vorstelijke gulheid getracht, die vergaderingen den leden in alle opzigten aangenaam te maken. Bij het ontwerpen der nieuwe wetten is op nieuw ter sprake gebragt, de noodzakelijkheid of niet noodzakelijkheid voor de Vereeniging van gelden, voortspruitende uit eene bij de wet te bepalen of vrijwillige bijdrage, en, hoezeer voor het jaar 1852 geene geldelijke belemmeringen van eenig belang in de handelingen der Vereeniging zijn te vreezen, is de wensche- lijkheid blijkbaar geworden, dat de Vereeniging over eenige vaste inkomsten zou kunnen beschikken, om hare werkzaam- heden uit te breiden en in sommige zaken van geldelijke ge- volgen het initiatief te kunnen nemen. De direktie gaat echter ongaarne tot zoodanig voorstel aan de vergadering over en heeft het beter geoordeeld, de behandeling van dit punt tot het jaar 1853 te verschuiven en voor het tegenwoordige slechts aan de HH. leden en het belangstellende publiek kenbaar te maken, dat donàtiën van gelden met erkentelijkheid zullen worden ontvangen en dat daarvan onder dankbetuiging melding zal worden gemaakt in het tijdschrift der Vereeniging, terwijl jaarlijks openlijk verantwoording der ontvangen gelden zal worden gedaan.

Ik heb thans gemeld het belangrijkste, wat door onze Ver- eeniging is verrigt en wat in haren boezem is voorgevallen. Vragen wij thans, of zij aan het doel harer instelling heeft beantwoord, dan mogen wij gerustelijk het antwoord van het publiek te gemoet zien. Want al is het waar, dat het veld, in deze gewesten te beploegen, onafmetelijk is, aan de andere

15

zijde is het even waar, dat het aantal arbeiders daarop niet met zijnen omvang in evenredigheid staat; dat alzoo nog veel gronds braak moet blijven liggen; maar ook, dat de betrek. kelijk weinige arbeiders niet nagelaten hebben te ontginnen ; wat zij ontginnen konden. Moge dat aantal arbeiders steeds toenemen. Mogen ook velen, die tot nog toe uit eene minder goed geplaatste zedigheid zich hebben laten terughouden, om zelfstandig in de wetenschap op te treden, hunne talenten en kennis niet ongut voor de wetenschap en de menschheid laten verloren gaan. Mogen ook andere mannen van kennis en talent, wie het welligt slechts aan opgewektheid ontbreekt, door de pogingen der Vereeniging worden aangespoord, om het hunne bij te dragen tot uitbreiding onzer kennis.

De groote bewegingen dezer eeuw in het maatschappelijke hebben hunnen grond in de verbazende ontwikkeling, welke de jongste halve eeuw in de kennis van de natuur der dingen heeft aangebragt. Waarheen gij den blik rigt, op handel, industrie of landbouw, overal ontwaart gij de uitgebreidere kennis ‚der natuur en harer voortbrengselen als grondslag van die onmetelijke vooruitgangen in alles, welke in eene vroegere eeuw als hersenschimmig zouden zijn uitgekreten.

Wij zijn in een gewest MH., waar de wetenschap, nog meer dan in andere beschaafde landen , geroepen is, de natuurlijke rijkdommen op te sporen en de eigenschappen der natuur op groote schaal aan de belangen der menschheid dienstbaar te maken. Wij zijn bovendien gelukkig in een’ tijd, waarin po- gingen ten algemeenen nutte en ter uitbreiding van kennis, bij het gouvernement dezer gewesten weerklank vinden. Wat den omvang en keuze der nasporingen betreft, kunnen alzoo voor praktische wetenschappelijke mannen naauwelijks gunsti- gere omstandigheden bestaan; en, alhoewel hier een groote hinderpaal in de praktische beoefening der natuurwetenschap- pen gelegen is in de ambtelijke betrekkingen van de meesten onzer, die daardoor veelal aan eene bepaalde standplaats ge- bonden zijn, en andere bezwaren gelegen zijn in de kostbaar- heid van het reizen en in de onvolledigheid van letterkundige

16

hulpmiddelen, zijn die belemmeringen niet onoverkomelijk en bestaan reeds de voorbeelden, dat het tegenwoordige gouver- nement genegen is, gedeeltelijk daarin te gemoet te komen, door de reizen van natuuronderzoekers , al zijn die reizen niet in dienst ondernomen, gemakkelijker en minder kostbaar te maken. |

Dat alzoo geen van ons alle stilsta en het over een jaar te geven verslag te vermelden hebbe, den steeds toenemenden vooruitgang op den door de Vereeniging en hgre leden inge- slagen weg.

NOTULEN VAN DE ALGEMEENE VERGADERING DER

NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDER- LANDSCH INDIE,

GEHOUDEN OP DEN 4DEN FEBRUARIJ 1852, IN DE VERGADERZAAL VAN

HET BATAVIAASCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

De vergadering heeft plaats des avonds ten 8 uur. Tegenwoordig zijn de

Dirigerende leden:

De HH. Dr. P. Brerkern, President. B P. BARON MELVILL VAN CARNBEE. sh D. W. Rosr van TONNINGEN. H H. D. A. Smirs , Sekretaris. zijnde de heer P. J Marer door ziekte verhinderd de vergade- ring bij te wonen en de overige leden der direktie, de HH. J. H. Croockewir, Corns. pe Groot, S. H. pe Lange en J.

CG. R. Sremnmerz van Batavia afwezig.

Het Honorair lid

Dr. W. Boscu, vereert de vergadering met zijne tegenwoor- digheid. Voorts nemen deel aan deze vergadering de Gewone leden » De HH. L. W. Berserinck.

5 J. Munnicu , 55 M. T. Reicne. # À. SCHARLEE. He S. D. Scuipr, A C. H. G. STEUERWALD. att V. BARON VAN KolJLL VAN SEROOSKERKEN. Ie G. Wassink. HI. A

18

Àls gasten waren tegenwoordig

De HH. E. W. Cramerus. à Mr. L. W. C. Kevcnenius.

4 P. Munrnicu.

8 E. NerscHer.

5 B. M. PariPPEAU. 7 H. A. SCHREUDER. D. VAN SCHREVEN. 5) J. Troxe.

ie F.J. WiLLER.

De President, de vergadering geopend hebbende, verwel- komt de nieuw benoemde leden en de gasten, welke, tot het bijwonen dezer bijeenkomst uitgenoodigd, haar met hunne te- genwoordigheid vereeren.

Hij deelt voorts mede, dat deze vergadering, wegens om- standigheden, onafhankelijk van de direktie, niet heeft kunnen plaats hebben in de maand Januarij, zooals bij het reglement der Vereeniging is bepaald.

Daarop leest hij voor het Algemeen verslag van de werk- zaamheden der Vereeniging gedurende het jaar 1851. Het besturend lid de heer Corrs. pe Groor, had het voornemen gekoesterd, in deze vergadering mededeeling te doen van de resultaten zijner onderzoekingen naar de geognostische en mi- neralogische gesteldheid van het eiland Blitong (Billiton), waarin hij echter verhinderd is geworden, doordien zijne reis naar Soera- baja niet tot na de vergadering vertraagd kon worden.

Evenzoo had het lid de heer Dr. O. J. G. Mounike toege- zegd, in deze vergadering ter tafel te zullen brengen de verza- meling van mineralen, welke hij van Japan heeft medegebragt en daarbij te spreken over de resultaten zijner natuurkundige onderzoekingen in gezegd rijk. Eenige uren voor de vergade- ring deelde de heer Mourik mede, dat hij door ongesteldheid verhinderd was aan zijne toezegging gevolg te geven.

Na mededeeling hiervan vertoont de President eene verza-

19

sfneling petrefakten , door het lid den heer J. B. van LeEUWEN

_bijeengebragt en afkomstig van de kalkbergen van Pangool “in Patjitan, waar zij in groote menigte nabij de oppervlakte,

400 tot 600 voeten boven de zeevlakte, voorkomen. Deze petrefakten , meestal molluskenschalen en echinodermen uit de tertiaire formatie, zijn een bewijs te meer van de uitgebrefdheid der sedimentformatiën, waaraan Java vroeger gemeend werd zeer arm te zijn, doch waarvan in de laatste jaren uit zeer verschillende streken van Java zeer belangrijke specimina zijn bekend geworden uit zuidelijk Bantam, uit de kalkbergen op de grenzen van Bandong en Tjandjor, uit de zuidoostelijke distrikten van de Preanger Regentschappen, uit de kalkbergen van Cheribon, uit die van Grobogan en uit de zuidelijke dis- trikten van de residentie Bezoeki, Voor de geognosie en ge- ologie van Java is het thans nog een der voornaamste gege vens, de palaeontologische verhoudingen op te helderen; doch zulks is vooreerst op Java zelf nog moeijelijk uitvoerbaar, daar wegens gemis eener voldoende literatuur over de Palaeontolo- gie, de bepaling der soorten van planten en dieren uit de vroegere scheppingsperioden grootendeels ondoenlijk is.

Hierna wordt het ontwerp van de Nieuwe wetten der Ver- eeniging voorgelezen door den sekretaris. Niemand der te- genwoordig zijnde leden daarop eenige aanmerking makende, worden deze wetten met algemeene stemmen aangenomen, terwijl tevens wordt bepaald, dat zij in het tijdschrift der Vereeniging zullen worden opgenomen.

De heer H. D. A. Surrs vertoont eenige afdrukken van platen, welke gevoegd zullen worden bij het in een der eer- ste nummers van den derden jaargang van het tijdschrift der Vereeniging op te nemen verslag van den heer Corns, DE Groor over het eiland Blitong (Billiton). Hij maakt daarbij opmerkzaam op den aanmerkelijken vooruitgang der lithogra- phie in Nederlandsch Indië en deelt voorts mede, dat ook eene nieuwe kaart van het thans zoo belangrijke eiland Blitong ter perse is en insgelijks binnen kort zal worden openbaar gemaakt.

20

Geen der leden verder het woord verlangende, sluit de President de vergadering, onder dankbetuiging aan de tegen- woordig zijnde heeren voor hunne belangstelling, betoond door het bijwonen dezer algemeene bijeenkomst.

Batavia, 4 Februarij 1852. Mij bekend:

De Sekretaris,

HB. D. A. Sarrs.

ng

N

ren Erie Ald dal Pd

J.C. R. Sreinmerz, Majoor der genie.

NAAMLIJSN T

DER

LEDEN VAN DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDER-

LANDSCH INDIE, OP DEN 4pen FEBRUARIJ 1852.

Besturende leden.

Dr. P. Brreken, President, R.O.N.L.

Dr. J. H. Croockewir Cz.

Corns. pe Groor, Ingenieur van het mijnwezen men. T.

P. J. Marer, Apotheker Íste klasse.

P. Baron MervirL van CannBeeE, Luit. ter zee iste kl. R.O.N.L., B. Leg. van Eer.

H. D. A. Sarrs, Sekretaris, Luit. ter zee Äste el ON. L. D. W. Rost van TonnisceN, Apotheker 2de klasse

S. H. pr Laree, Geographisch ingenieur v. N. Indië. Honsraire leden.

Z. H. K. B. Herroe van Saksen Weimar ErsenacH, Generaal der infanterie, Kommandant van het In- disch leger, Grootkr. M. W. 0., Grootkr. 0. N. L. Grootkr. der Badorde, Grootkr. 0. Leg. van Eer, enz. enz. enz. d 5 d n É :

Dr. W. Bosen, Chef der geneesk. dienst in Nederl. Indië, President van het Batav. Gen. van Kunsten

en Wetenschappen, R.O.N.L. enz. Korresponderende leden.

C. L. Brome, Hoogleeraar te Leiden, R.0O.N. L. enz. S G. van Brepa, Hoogleeraar , Sekretaris van de Hol

landsche Maatschappij van Wetenschappen te Haar- lem enz. 5 ; -

Oprigters der Vereeniging.

Datum van Benoeming.

31 Oktober 1850. 27 December » 13 Mei

1851.

6 Februarij 1851.

18 Januarij

18

1852.

»

22

Korresponderende Leden. Datum ven Benoeming.

J. van per Hoeven, Hoogleeraar te Leiden, R.ON,L.. enz.

13 Januarij 1852.

F. Karser, Hoogleeraar te Leiden enz. . . 13 » » R. Lorarro, Hoogleeraar te Delft, R.O.N.L., enz. 13 » » F. A. G. Mrover, Hoogleeraar te Amsterdam, enz. . 13 » » G.J. Morper, Hoogleeraar te Utrecht, Komm.0.N.L. enz. 13 » » R. van Rees, Hoogleeraar te Utrecht, R.O.N.L., enz. 13 » » G. Simons, Direkteur der Koninklijke akademie te

Delft, enz. . : - p - \ RON t » » C. J. Temminck, Direkteur van ’s Rijks museum van E

natuurl. historie te Leiden, R.O.N. L. enz. dd » » W. Vrorik, Hoogleeraar te Amsterdam, R. M. W.O.

„enz. - : . R - 8 : 18 Di, »

Gewone leden.

0. F. W.J. Hvevenin, Ingenieur van het mijnwezen in Ned. Indië, te Batavia. 2 p : E Uig “Augustus 1850. -

G. M. BrECKMANN, Luit. ter zee 2de kl. (naar Nederland’. 19 Septemb. »

C. G. van Derrscu, Majoor der artillerie, te Soerabaja ROAN: E. } À 5 : 5 B 8 „da

J. A. KraJeNBriNK, Ingenieur, te Cheribon. . iden » » J. B. Teissuann, Îste Hortulanus bij ’s lands plantentuin,

te Buitenzorg. ' : : : . 5 19 » » P. F. C. Varrepe, Kapitein derartillerie, te Soerabaja. 19 » » Z. H. Arwasr Boacur, Prins van Ashantee, Ingenieur

van het mijnwezen in NI, te Soerabaja. 8 22 Oktober » Dr. P. F. H. Froueere, Landbouwkundig chemist, te

Buitenzorg. 5 Lewes : 3 : . 22 » » F. E. H. LreBenr, Ingenieur van het mijnwezen in

Ned. Indië, te! Muntok, 0e. OO rete ee » F.D. J. van per Pant, Adsistent bij het landbouw-

scheik. laborator., te Buitenzorg. . ê ' ADR > » S. ScuReuDeR, Ingenieur van het mijnwezen in N. I.,

te Makassar. . - f 2 8 8 , La » » Dr. J. R. A. BaveR, Offic. van gezondheid 2de kl., ter

Sumatra’s Westkust. _ - d à 8 (eri » » G. F. pe Bruin Kors, Luit. ter zee 2de kl. "aah » » Dr. J. Eixrroven, Offic. van gez. 2de kl., te Sambas,

EEM MOES DE : Á 4 8 à : ol » > H. W. Senwanenrerp, Offic. v. gez. 2de kl,, ter Su-

matra’s Westkust. . . e 4 } 31 > »

Mr. J. H. Graar van pen Boscm, te Pondokh Gedeh, Resident toegevoegd voorde kochenilleteelt op Java, R.O.N.L. L ;

H. GragBeeK van meR Does, Luit. ter zee Íste u.

J. Grorr, Luit. ter zee dste kl., BR. M. W.0., R. 0. St. Anna 3de kl., te Batavia, , ;

L. W. BeisenincK, Majoor, adjudant van Z. u. a Hertog vAN en We«erman ErsenacH, R. O0. N. L., R. Orde v.d. Witten Valk, te Batavia é à

H. A. Mopperuanr, Luit. ter zee 2de kl. (naar Nederland).

J. Munmicu, Office. v. gez. 2de kl., te Batavia.

Dr. P. L. Onnen, Stadsgeneesheer, te Soerabaja.

Dr. A. J. D. Sreensrra Toussarntr, Praktiserend ge- neesheer te Batavia. 3 5 . d : :

P. F. Umrenseer, Luit. ter zee Áste kl. R. M. W. 0. (naar Nederland).

H. von Garrron, Direkteur der Steenkolenmijnen te Oranje Nassau. £ 4 : 8 : B

Dr. J. Harrzrerp, Offic. v. gez. dste kl,, te Amboina

P. Jarres, Offc. v. gez. 2de kl., ter Sumatra’s westkust.

Dr. F. C. Scuuirr , Office. v. gez. 2de kl., ter Sumatra’s Westkust. . É 8 - 3 8

H. vor DewarL, Civiel gezaghebber van Borneo’s zuidoostkust. 4 $ N 8 5 .

D. L. Worrson, Luit. ter zee 2de kl. Rh. O.N. L.

A. J. Anpresen, Majoor der infanterie, te Sambas, h. M. W. 0. : B .

Mr. A. G. Brouwer, te Batavia.

S. L. BrankenBure, Office. v. gez. Îste kl., te Batavia.

Mr. D. W.C. Báron van Lisnpen, Resident van Timor.

C. F. A. Scunermer, Oflie. v. gez. 3de kl. bij Z. M. marine. : : : : ' :

F. Senuirr, Ofie. v. gez. Îste kl., te Batavia.

J. Hacrman Jcz., Ambtenaar, te Soerabaja.

C. Herer, Sekretaris van Z. H. den Hertoe van Sak- SEN Weerman Ersenacm (naar Nederland. _

12 December

12 » 12 » Pipi » AP »

hef

7 » 27 » 27 =p Jar »

13 Maart 18 » 13 D 13 » 15 » 18 » 3 April 3 » Des » td » 17 > 13 Mei 2 Junij 2 »

Gewone leden. Datum van Benoeming.

J. Worrr, Office. v. gez. 2de kl., te Bandjermassing. 31 Oktober 1850. Rent G. Bnr bher Apotheker 2de kl., te Soerabaja. 7 Novemb. » EF. H. W. Kurspens, Majoor der artillerie, te Padang. 7 » » Dr. 0. G.J. Mouse, Offie.k. Gez. 2de kl, te Bata- j ete MEIN. LS > ° é 7 zi » » G. SrourenpisserL, Apothek. 2de kl, te Willem I. 7 » »

>

24

Gewone leden. Datum van Benoeming.

V. Baron van Toirr van SEROOSKERKEN , Kamerheer van Z.M. den Koning der Nederlanden , tijdelijk te

Batavia. . = ; ° 2 Jungt 1951 JG. EEEN Ome. v. gez. 2de u. ‚te ensesaan, 10 Julij » J. M. van Leer, Offic. v. gez. Aste kl., te Palembang. 24 » » M. Te. Rrrene, Office. v. gez. 2de kl., te Batavia. . 24 ROTE:

C. H. G. Sreverwarp, Luit. kolon. der artillerie, KR. O.N.L., R. der Zwaardorde van Zweden en Noorwe-

gen, te Bid 3 $ : 3 : ae » D. J. UnrenBeckK, EER der genie, te petan Ke :

M. W.O. : E 6 . 14 Augustus » G. Wassink , Dirig. offie. v. gez. Sale SR te Batavia,

R. M. W. 0. enz. …. 3 5 Î b ï hees 4 * » » H. Ravenswaaij, Administrateur van ’s rijks magazijn

van geneesmiddelen, te Batavia. 5 4 REE » » S. BinNerpijK, Adsistent hortulanus van ’slands plan-

tentuin te Boka. : 9 Oktober » Jkhr. T. J. H. Gevers, aa de genie, te wil

Jem B, 3 - . . 3 5 p . 23 » » G. C. Daum, Adjunkt-administrateur bij Z, M. marine. 18 November » D. F. Scuaap, Resident van Banka, te Muntok. EE » » A. Scnartee, Apotheker 3de kl. bij het groot hospi-

taal te Weltevreden. 7 7 5 5 $ . 13 December » T. Arriëns, Kontroleur der 1ste kl., te Magelang. An » »

J. E. var Leeuwen, Kontroleur der Íste kl, te Patjitan. 13 Januarij 1852. S. D. Scurrr, Direkteur der kultures, te Batavia, R. 0.N.L. ee > ' . 7 : , "18 » »

W EE T T E NM

VAN DE

NATUURKUNDIGE VEREENIGING

NEDERLANDSCH INDIE,

OPGERIGT TE BATAVIA DEN I9DEN JULIJ 1850.

Ánr. Î.

Het doel der Natuurkundige Vereeniging is, werkzaam te zijn tot bevordering der natuurkundige wetenschappen in den uitgebreidsten zin, zoowel door eigen vlijt, als door de zorg, die zij zal aanwenden, om de natuurkundige ‚nasporingen en ontdekkingen, die in Nederlandsch Indië gedaan worden, te verzamelen, in het licht te geven en door alle in haar bereik vallende middelen aan te moedigen.

Anr. 2. De zetel der Vereeniging is te Batavia. Anr. Je

De leden zijn: Honoraire-, Dirigerende-, Korresponderende- en Gewone leden.

26 g\ u T e A.

Dirigerende leden zijn: de oprigters der Vereeniging en zij die, bij vertrek van Batavia of bij aftreding van één of meer hunner, uit de gewone leden gekozen worden.

Ärtr. 5.

Het aantal dirigerende leden is bepaald op acht, doch kan, wegens bijzondere omstandigheden, vermeerderd worden.

Ärr. 6.

Diírigerende leden, van Batavia naar eene andere standplaats in Nederlandsch Indië vertrekkende, behouden dien titel.

ART. ds

De benoeming tot dirigerend lid geschiedt in de vergadering der direktie, uit de op dat tijdstip te Batavia aanwezige ge= wone leden, zullende het te benoemen lid op zich moeten vereenigen twee-derden der stemmen van de op Java aanwe- zige dirigerende leden.

Art. 8.

Een dirigerend lid treedt als zoodanig af, bij vertrek uit Nederlandsch Indië.

Art. 9.

Tot gewone leden zijn benoembaar, alle personen in Neder- landsch Indië, die geacht worden in staat te zijn, het doel der Vereeniging te bevorderen, en van hunnen wensch daartoe hebben doen blijken, hetzij door het uitgeven van geschriften of door het inzenden van bijdragen voor het tijdschrift, hetzij door het toezenden van belangrijke voorwerpen.

bf) Art. 10.

Tot honoraire leden kunnen worden benoemd de wegens vertrek uit Nederlandsch Indië aftredende dirigerende leden. Voorts zijn als zoodanig verkiesbaar, alle in deze gewesten woonachtige personen, aan of van welker maatschappelijken invloed en zucht tot bevordering der natuurkundige weten- schappen, de Vereeniging bescherming en ondersteuning te danken of te verwachten heeft.

Ärt. 11.

Tot Korresponderende leden zijn verkiesbaar, alle na- tuurkundigen, buiten Nederlandsch Indië wonende, die zich eenen gevestigden naam in de natuurkundige wetenschappen hebben verworven, en welker benoeming voor den bloei der Vereeniging belangrijk te achten is.

Art. 12.

De benoeming tot gewoon lid heeft plaats in de gewone vergaderingen, op voordragt der direktie, en bij meerderheid van stemmen der tegenwoordige leden.

Ant. 13.

Een gewoon lid iemand tot lid der Vereeniging wenschende aangenomen te zien, doet daartoe een gemotiveerd voorstel aan de direktie, die het, wanneer zij zich daarmede ver- eenigt, in de eerstvolgende gewone vergadering ter tafel brengt.

Art. 14.

De benoeming tot honorair- en tot korresponderend lid heeft plaats op dezelfde wijze, als die tot gewoon lid.

28

Art. 15.

Een gewoon lid, Nederlandsch Indië verlatende, blijft het idmaatschap behouden, indien hij zich daartoe genegen ver- Iklaart.

Art. 16.

Door alle op Java zich bevindende dirigerende leden worden uit de te Batavia aanwezige met meerderheid van stemmen gekozen een Voorzitter, een Sekretaris tevens penningmeester en bebliothekaris, en een Hoofd-redakteur voor het tijd- schrift.

Deze treden met den Ísten Januarij van elk jaar af, doch zijn terstond weder verkiesbaar.

Art. 177.

Bij tijdelijke afwezigheid van den voorzitter worden de ver- gaderingen bestuurd door den oudste in jaren, van de aan- wezige dirigerende leden, met uitzondering van den Sekre- taris. Bij tijdelijke afwezigheid van den Sekretaris zullen zijne betrekkingen waargenomen worden door het jongste lid in jaren der direktie.

Art. 18.

Bij ontstentenis van den President, Sekretaris of Hoofd-re- dakteur, zal ten spoedigste in de opengevallen plaats voorzien worden.

Ärt. 19.

_De voorzitter leidt de orde der werkzaamheden van alle vergaderingen. Hij brengt gedane voorstellen in omvraag en handhaaft ten allen tijde de wetten der Vereeniging.

29

Art. 20.

Geene besluiten kunnen genomen worden, wanneer de ver- gadering minder dan vijf personen telt. In geval van staking der stemmen beslist de voorzitter.

Art. 21.

De Sekretaris voert de korrespondentie en houdt de notu- len van alle vergaderingen.

Alle gewigtige stukken worden door den President en den Sekretaris, namens de direktie, onderteekend.

Art. 22. Onder het beheer van den Sekretaris zijn alle de der Ver- eeniging toebehoorende memoriën, verhandelingen, boekwerken, naturaliën, enz.

Art. 23.

Ì LN

Hij heeft het beheer over de gefdmiddelen, waarvan hij jaar-

lijks verantwoording doet. De betalingen geschieden op mag-

tiging der direktie. Art. 24.

Overeenkomstig het slot van artikel f, wordt door de Ver- eeniging een Zydschrift uitgegeven, waarin zullen worden opgenomen de bij de direktie ingekomene memoriën, verhan- delingen , enz. op de natuurkundige wetenschappen betrekking hebbende en waarvan door haar de bekendmaking nuttig en wenschelijk wordt geacht.

Arr. 25.

Van dit tijdschrift zullen jaarlijks zes nummers verschijnen,

elk inhoudende minstens vijf vellen druks.

30

Ärr. 26.

De ingekomen verhandelingen zullen in de eerstvolgende vergadering der dirigerende leden ter tafel gebragt worden. De direktie beslist omtrent de opneming dezer stukken in het tijdschrift.

Amr. -24.

De stukken, waarvan de plaatsing niet geschiedt, blijven ter beschikking van den inzender.

Arrr. 28.

De verantwoordelijkheid voor de in het tijdschrift opgeno- men stukken wordt gelaten voor rekening van den schrrijver.

Ärr. 29.

De stukken waarvan de plaatsing in het tijdschrift door de direktie is goedgekeurd, worden aan den Hoofd-redakteur ter hand gesteld, aan wien is opgedragen ze voor de pers gereed te maken.

Ärr. 30.

De dirigerende leden zijn gehouden, den Hoofd-redakteur ‘in de redaktie bij te staan, zoo dikwijls hij het verlangen daartoe zal te kennen geven.

Art. 3Í.

De dirigerende leden houden minstens één maal ’s maands

vergadering ter bespreking van de belangen der Vereeniging en van het Tijdschrift.

Tot het bijwonen dezer vergaderingen kunnen ook andere personen worden uitgenoodigd, welker tegenwoordigheid in het belang der Vereeniging wenschelijk geacht wordt.

P]

a ear

51

ART. 92.

Behalve deze vergaderingen heeft minstens éénmaal in de drie maanden plaats eene gewone vergadering, waartoe alle leden der Vereeniging toegang hebben.

Hiervan zal de eerste, als algemeene vergadering, in Januarij gehouden worden.

ART. 99.

„De President maakt jaarlijks een verslag op der verrigte werkzaamheden, welk verslag van wege de direktie in, de eerste gewone (algemeene) vergadering voorgelezen en in het eerste nummer van elken jaargang des tijdschrifts opgenomen wordt.

Art. JÁ.

Het is wenschelijlk, dat dirigerende en gewone leden, buiten Batavia gevestigd, gewone vergaderingen houden, in den geest der Vereeniging en van het verhandelde in deze vergaderingen mededeeling doen aan de direktie te Batavia.

ÄRT. 95.

In de “wetten der Vereeniging kunnen geene veranderingen gebragt worden ten zij in de eerste gewone vergadering van elk, jaar.

De voorstellen, daartoe strekkende, behooren voor den Îsten December aan de direktie te worden ingezonden en zullen in de bovengenoemde vergadering in beoordeeling worden gebragt.

Voor de aanneming van eenige verandering worden twee- derden der stemmen vereischt.

52

Addittoneel artikel. Art. 36.

Voorloopig worden alle geldelijke kosten van de Vereeni- ging door de dirigerende leden gedragen.

Nad

SCHEIKUNDIG ONDERZOEK

VAN EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN,

DOOR

P. SJ. MAIER:

Mineraalwater Banjoe assin in het regentschap Poerworedjo , residentie Bagelen.

De heer Kinper, kontroleur der fste klasse heeft de bron van dit water ontdekt, en daarvan volgende beschrijving ge- geven.

„De bron is gelegen op ongeveer 8 palen afstands in n. 0. „„rigting van de hoofdplaats Poerworedjo, in de nabijheid der ‚„dessa Bapjoeassin (fÎ) midden in een rijstveld en slechts

(1) „Van hoeveel nut voor den natuur- en oudheidkundige op Java „de kennis der volkstaal is, hiervan strekke het volgende ten bewijze. „„Bij mijne togtjes, welke ik ambtshalve onderneem, is het mijne ge- „woonte, door middel der benamingen van dessa’s, bergtoppen, rivieren „enz. nasporingen in het werk te stellen omtrent wetenswaardige bijzon-

„derheden der tot mijne afdeeling behoorende lokaliteiten. Niet zelden

sis mij de etymologie van soortgelijke benamingen een zekere gids ge- „weest tot belangrijke ontdekkingen. Zoo ook in dit geval.

„Mij onlangs op reis bevindende in het oostelijke Bageleensche grens» „gebergte, werd mijne aandacht getrokken door den naam der dessa Ban-

joe assin, twee zuiver Javaansche woorden, zout water beteekende.

„Op die wijze raakte ik bekend met het hier bedoelde minerale water. „Zoo kan men eveneens verzekerd zijn, op alle plaatsen, Assinan geheeten, „„zoutwaterbronnen aan te treffen.”

UI. J

St

„weinige passen verwijderd van eene in de nabijheid stroo- ‚‚ mende rivier.

‚, De kom afgesloten zijnde, bezit eene lengte van 10 en „eene breedte van 6 rijnl. voeten ; de diepte bedraagt 2 voeten.

‚„Het water welt uit den grond op, die daar ter plaatse ‚uit trachietbrekcie bestaat. Het omliggende terrein behoort „echter geheel tof de tertiaire formatie. De kleur van het wa- „ter, in de kom gezien, is ligt geel, bij sommige zonnestanden „groenachtig, in een glas witachtig troebel. Aan de opper- „vlakte vertoonen zich eenige olieachtige vliesjes. De reuk „onderscheidt zich niet merkbaar van gewoon water. De „temperatuur des waters in de kom was ’smiddags 4 uur „860 F. bij eene luchttemperatuur van 89° F. De opene vrije „ligging der bron in een riijjstveld en in steenachtigen grond „draagt zeker veel bij tot den hoogen graad van verwarming „des waters. De smaak heeft veel overeenkomst met dien „van zeewater d. í. zout en eenigzins bitter. Gasontwikkeling is „in de bron niet te bespeuren.

‚‚ Naar schatting ligt de bron op ongeveer 700 voeten boven „zee (Minoreh op 964 en de pas Toenggangan in het Tja- „tjabangsche gebergte op 1680 voeten stellende). De afstand „van de zuiderzee (Indische Oceaan) zal p. m. 20 palen be- > dragen.

„Na afsluiting der bron leverde zij in 5 minuten eene ‚Ned. kan mineraalwater of 300 kannen daags. De inlanders verklaarden mij, dat in de oost- en westmoesson de hoe- ‚veelheid water dezelfde bleef. De Javanen bedienen zich „>niet van het water tot geneeskundige doeleinden. De diee „„ren handelen in dit opzigt anders. In den geheelen omtrek „is de bron bij alle buffels, runderen, paarden, wild, voge- „ien enz, bekend, die allen met graagte het water opslur- pen.

„Zooals men bijna overal op Java voor een merkwaardig natuurverschijnsel een of ander fabelachtig verhaal heeft, „bestaat ook eene legende omtrent den oorsprong der ‚bron Banjoe assin. Pangeran BrrNrowo, zoon des laat-

—_ jn

55

„sten Padjangschen sulthans, na de verwoesting des kratons ‚van Padjang vlugtende , bezocht ook dit gedeelte van Bage- „len. In de nabijheid van Banjoeassin uitrustende, om zijn ‚‚ middagmaal te nemen, hadden zijne volgelingen vergeten zout „mede te nemen. Pangeran Bernowo dit vernemende, deed „de zoutwel ontstaan. Eene bamboezen omheining wijst nog „de rustplaats aan van den prins en de mede in het gebergte „„gelegene dessa Bennowo vereeuwigt insgelijks zijne nage- „, dachtenis.”

In de maand Augustus ll. ontving ik te Batavia & goed gekurkte en gevulde flesschen van bovenbedoeld water, waar- mede de volgende scheikundige analyse bewerkstelligd is.

Het water heeft eenen onaangenamen bitter- zoutachtigen, eenigzins zwavelwaterstofgasachtigen, naderhand een weinig zoet _achtigen smaak, zwavelwaterstofgasachtigen reuk en een soortelijk gewigt van 4,01517 bij 28° C. temp. Reaktie naauwelijks zigtbaar alkalisch. Het is helder, doch tevens eenigzins wit- achtig, hetwelk bij het staan in de lucht wat toeneemt en na verloop van eenige dagen zich als sporen van een eenigzins geelachtig praecipitaat afzondert; het water is daarna ge- heel helder en vrij van elk spoor eener verbinding van ijzer. |

Bij verwarming ontwikkelt het water siechts enkele gasblaas- jes; de dampen, door barietwater geleid, vormden sporen van koolzure barietaarde. Het kwalitatief onderzoek heeft de vol- gende bestanddeelen er in doen onderkennen.

In weegbare hoeveelheid voorhanden: Zwavelzuur; Chlorium; Kiezelaarde ; Potassa; Soda; Kalkaarde; Bitteraarde en Aluin- aarde een spoor van IJzeroxyde bevattende, hetwelk in het water als Koolzuurijzerprotoxyde bevat is.

In onweegbare hoeveelheid: Koolzure kalkaarde; Chloor- ammonium; Joodmagnium; Zwavelwaterstofgas; Koolzuurgas en Org. zelfstandigheden.

36 Kwantitatieve analyse. 1. Bepaling der Vaste deelen.

132,946 grm. water uitgedampt, het zout sterk verhit tot dat eenige zure dampen begonnen te ontwijken, gaven 2,585 grm. Zout = 1,9547 ten honderd water.

2. Bepaling van het Chloor.

132,246 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzil- ver, wegende 6,083 grm.

100 grm. water dus 4,5998 grm., waarin 1,197{ grm. Chloor. 4

3. Bepaling van het Zwavelzuur.

132,2416 grm. water gaven bij 100° CG. gedroogde zwavelzure barietaarde , wegende 0,1737 grm.

100 grm. water dus 0.13135 grm., waarin 0,04513 grm. Zwavelzuur.

A. Bepaling der Kiezelaarde.

Van het in de fste bepaling verkregene zout, verkreeg men 0,001 erm. gegloeide kiezelaarde. 160 grm. water dus 0,600756 grm. Kiezelaarde.

5. Bepaling der Aluinaarde met sporen van IJzeroxyde.

Uit het zoutzure filtraat der kiezelaarde verkreeg men op bekende wijze 0,6008 grm. gegloeide Aluinaarde, een spoor ijzeroxyde bevattende.

_ 100 grm. water dus 0,00061 grm.

6. Bepaling der Kalkaarde.

Het filfraat der aluinaarde met oxalas ammoniae behandeld,

37

gaf bij 100 C. gedroogde oxalas calcis, wegende 1,058 grm., waarin 0,40585 grm. Kalkaarde (|). 100 grm. water dus 0,30689 grm. Kalkaarde.

7. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde.

100 grm. water bevatten 0,045131 grm zwavelzuur gevende met 0,031591 _kalkaarde en 0,020307 water.

0,097029 Zwavelzurekalkaar- de (gips). |

8. Bepaling van het Chloorcalcium.

100 grm. water bevatten 0,30689 erm. kalkaarde; aan het zwävelzuur is gebonden 0,03159 grm.; afgetrokken, blijft

6,2753 grm., beantwoordende aan 0,54525 grm. Chloorcalcium, \ waarin 0,34861 grm. chlorium.

9. Bepaling van het Chloormagniumn.

Het filtraat van den oxalas calcis met phosphas ammoniae be- handeld, gaf 0,049 .grm. bij 100° C. gedroogde phosphorzure bitteraarde-ammonia, na gloeijing 0,0345 grm. phosphorzure bitteraarde gevende, waarin 0,01265 grm. bitteraarde.

190 grm. water 0,0096 grin., beantwoordende aan 0,0223 grm. Chloormagnium, waarin 0,01645 grm. chlorium.

(1) Toen ik ongeveer 16 dagen later den- oxalas calcis wederom

woog, had hijij eenig water aangetrokken; zijn gewigt bedroeg nu 1,071

grm. Ik nam hiervan 1,037 grm. en brandde deze hoeveelheid tot kool- zure kalkaarde, die, alvorens gewogen te zijn, met eene genoegzame hoeveelheid koolzure ammonia behandeld was; zij woog 0,702 grm.

1,071 grm. okalas ecalcis zouden dus 0,72502 grm. koolzure kalkaarde gegeven hebben, waarin 9,40601 grm. kaikaarde.

Hieruit blijkt, dat de berekening der kalkaarde uit de bij 1009 C. ge- droogde oxalas calcis, juiste uitkomsten levert, en dat het overbodig is, den oxalas calcis te branden, ten einde uit de verkregene hoeveelheid koolzure kalkaarde de kalkaarde te berekenen.

38

10. Bepaling van het Chloorpotassium.

264,492 erm. water met barietwater enz. behandeld, gaven 0,056 grm. bij 100° C. gedroogd chloorplatina-chloorpotassium, bevattende 0,0{7125 grm. Chloorpotassium.

100 grm. water dus 0,0065 grm., waarin 0,00308 grm. chlorium.

1f. Bepaling van het Chloorsodium.

100 grm. water bevatten 1,1371 grm. chiorium. Hiervan is gebonden aan het potassium == 0,00308 grm. je Di Te Na = 0,34861. een wp ss se magnum, OON

te zamen 0,56814 „@ afgetrokken van de geheele hoeveelheid chlorium, blijft 0,76896 erm., gevende 1,2738 grm. Chtoorsodium.

Resultaat. 100 grm. water bevatten grm. Chloorpotassium 4 4 ' : 5 0,0065 sodium gehe 3 8 d 1,2738 calcium 2 ve k ì 8 8 0,54525 MASA Ie ; l 5 } À 0,0223 Zwavelzure kalkaarde 3 E - 0,09703 Kiezelaarde 4 ; 8 S : : 0,00075 Aluinaarde met een spoor ijzeroxyde 8 0,00061

Totaal der vaste deelen 1,94624

en de volgende niet kwantitatief bepaalbare stoffen

Koolzure kalkaarde.

Chloorammonium.

Joodmagniurn.

Koolzuurgas. _ Zwavelwaterstofgas.

Organische zelfstandigheden.

DE ZOOGENAAMDE WITTE STOF, AFGESCHEIDEN DOOR HET KOCHENILLE-INSEKT, SCHEIKUNDIG ONDERZOCHT

DOOR

DD. W. ROSET VAN TONNENGEN.

ks «

_ Het is bekend, dat zich tijdens het leven van het Koche- nille-insekt, eene witte stof afzondert, welke vooral na het dooden der insekten , bij de zuivering door middel van zifting, in tamelijk groote hoeveelheden kan worden verzameld. Volgens den heer L. Monop pr Froimprvure (zie Tijdschrift voor N. I. jaarg. 9, deel 2 pag. 237 en verder) zijn ge- noemde insekten reeds terstond bij hunne geboorte of ook S à 10 dagen daarna, met deze witte stof voorzien en ver- nieuwt zij zich zelfs telkens weder binnen de drie à vier dagen, wanneer zij door regen of andere oorzaken is afgespoeld of verloren gegaan. In den handel is men gewoon, bij de be- oordeeling der kochenille, de meerdere of mindere hoeveel- heid witte stof, welke het insekt bedekt, in aanmerking te nemen en haar in het eerste geval zelfs eenige hoogere waar- de toe te kennen, terwijl uit een wetenschappelijk oogpunt be-

schouwd, reeds voor jaren Berzerivs aannam, dat het uit acidum

margaricum bestond. Naar hetgeen mij de heer Dr. STrrn- STRA Toussarnr alhier meldt, bedroeg volgens zijne ten dezen aanzien reeds gedurende ettelijke jaren gedane waarnemin- gen, de grootste opbrengst aan witte stof 8E à 9°/, en de kleinste nog 4%, der verkregene zuivere kochenille en is zij tot heden toe beschouwd geworden als niet de minste waarde hebbende.

40

Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat alleen in Euro- pa jaarlijks een millioen ponden kochenille van verschillende landen wordt ingevoerd en Engelands kockenille-handel in het jaar 1844 aan in- en uitvoer reeds ruim anderhalf millioen ponden bedroeg, danis het duidelijk, dat, volgens dezen grond- slag, minstens 50,000 ponden elk jaar van deze witte stof worden voortgebragt, en het zal dan ook wel geene bevreem- ding verwekken, dat ik gaarne het aanbod van Dr. Steenstra Tous- SAINT aannam, om mij door het toezenden van eene genoeg- zame hoeveelheid dezer witte stof, tot een onderzoek in staat te stellen. Hetzij mij vergund, dien heer mijnen dank te be- tuigen, zoowel voor dat aanbod als voor de vele inlichtingen , ‘welke mij door hem te dien aanzien met de meeste bereid- willigheid geschonken zijn.

Hetgeen mij toegezonden werd, was een grof, wit en op verschillende plaatsen met roode stippen bedekt poeder. Dit poeder met water gekookt zijnde, verkreeg men eene schoone roo- de oplossing, welke zeer spoedig tot verrotting overgaat, iets wat geene geringe zwarigheid bij het onderzoeken er van oplevert; het afkooksel, met wijngeest van 70 à 80°/,, was zuiver oranje- rood, terwijl de koking met alkohol volstrekt geene kleurstof uittrok. In de teruggeblevene in water niet oplosbare en geleiachtige zelfstandigheid, bemerkt men, met het bloote oog, duidelijk kleine insekten of gedeelten daarvan, vooral van diegenen welke in den handel onder den naam van Zaccatillo bekend zijn: bij de verbranding verspreidt zich sterk de reuk, aan brandende dierlijke stoffen eigen; hierbij wordt eenige olie uitgescheiden, welke spoedig vuur vat en met eene sterke walmende vlam verbrandt; na afloop dezer verbranding blijft eene gele asch terug, welke aan de lucht blootgesteld snel vochtig wordt en waarover nader wordt gehandeld.

Wanneer ik hier eenige kwantitatieve bepalingen aangaande de bewuste witte stof mededeel, houde men in het oog, dat deze geene absolute maar slechts eene betrekkelijke waarde kunnen hebben, daar het als van zelf spreekt, dat zij ver- schillen moeten voor iedere witte stof in het bijzonder, al

41

naardat zij meer of minder met kleine kochenille-insekten is bedeeld. Verder was het, behalve een onderzoek der stof in het algemeen, ook mijn doel om na te gaan, of er, op wel- ke wijze dan ook, nog eenige bruikbare kleurstof uit te trek- ken zoude zijn, en ten einde de hoeveelheid hiervan te weten te komen, was het noodig, eenige kwantitatieve bepalingen in het werk te stellen, welke hier volgen.

Bepaling van het water.

9,554 grm. verloren op 1000 C. gedroogd 0,515 grm. = 14,4919/. |

Bepaling van de onverbrandbare deelen.

0,830 grm. lieten bij verbranding 0,165 grm. asch terug = 19,8790/,.

Deze asch is ligt bruin gekleurd, trekt zooals reeds is op- gemerkt snel de vochtigheid der lucht tot zich en vervloeit, isin water slechts gedeeltelijk doch in salpeterzuur volkomen onder sterke opbruising van koolzuur oplosbaar; zij bevat zeer vele chloruren en sulphaten van aluinaarde, kalk, mag- nesia en potassa benevens eenig ijzeroxyde; de eerstgenoemde basis heeft echter verre weg de overhand.

Bepaling van hetgeen ín ether oplosbaar is.

7,990 gr. werden eenige dagen met ether bij de gewone temperatuur getrokken, daarna afgefiltreerd en het doorgeloo- pene vocht verdampt; hetgeen terugbleef woog 0,190 grm. = 9,377.

Het in ether oplosbare is een vast, neutraal reagerend, bruinachtig, naar acidum butijricum riekend vet; het verzeept zich met loogen zeer gemakkelijk, uit welker oplossing in water, door zuren witte praecipitaten van vetzuren worden gevormd: op platinablik verhit, verbrandt het met eene veel roetgevende vlam en eenen prikkelenden reuk: in kokenden alkohol is het oplosbaar.

42

Bepaling van hetgeen in kokenden alkohol oplosbaar is.

50 gr. werden, na vooraf met ether, zooals boven, uitgetrok- ken te zijn, met kokenden alkohol behandeld en afgefiltreerd; nadat de doorgeloopene naauwelijks zigtbaar geel gekleurde oplossing was koud geworden, scheidde zich eene menigte groo- te, vlokachtige kristallen af, welke werden verzameld en ge- droogd; zij wogen 1,772 gr. = 3,5440/,.

Het is bij de gewone temperatuur eene broze, helder witte en ligter dan water zijnde stof, welke eerst op het kookpunt van water smelt; is in kouden ether onoplosbaar , wordt in kokenden evenwel opgenomen, doch bij de minste bekoeling weder afgezet; verzeept met alkaliën zeer on- volkomen; het grootste gedeelte blijft bij de behandeling met eene loog op de oppervlakte der vloeistof onverzeept terug; afgefiltreerd en bij het filtraat een zuur gevoegd zijnde wordt een wit nederslag gevormd. Ik meen vele redenen te hebben om deze in kokenden alkohol oplosbare stof, als eene het bijenwas zeer nabijkomende te mogen beschouwen.

Bepaling van hetgeen in kouden alkohol oplosbaar is.

Nadat de vermelde hoeveelheid was uit de alkoholische op-

lossing was verwijderd, dampte men deze laatste tot droogwor- dens toe uit; zij woog 1,523 gr. = 3,0460/,. _ Het is eene bruine, vloeibare, zuur reagerende, vetachtige massa, welke op een filtrum gebragt en met wijngeest van 70%, afgewasschen, spoedig in twee ligchamen werd ge- scheiden ; het eene bruinen in den wijngeest oplosbaar , reageert zuur en wordt door toevoeging van water volkomen geprae- cipiteerd, doch is niet verder onderzocht; het andere is een zuiver wit, half vloeibaar vet, dat even als het vorige onvol- komen verzeept, maar zich door zijne vloeibaarheid kenbaar genoeg van dit laatste onderscheidt.

Bepaling van hetgeen in kokend water oplosbaar is.

Dezelfde hoeveelheid, welke met ether en alkohol was behan-

_

45

deld , werd met water zoolang gekookt , tot dat dit laatste niet meer gekleurd werd; vervolgens de afgefiltreerde vloeistoffen verzameld zijnde, werden deze op een waterbad uitgedampt en op 1009 C. gedroogd; het ‚teruggeblevene woog 12,3 = 24,60.

De op deze wijze verkregene massa is donkerrood; eene groote hoeveelheid water wordt door slechts zeer weinig hier van sterk rood gekleurd; aan de lucht blootgesteld trekt zij spoedig de vochtigheid daaruit aan; door zwavelzuur wordt alle kleurstof uit de oplossing in water gepraecipiteerd ; met wijngeest van 800/, gekookt, wordt er eene schoone oranje- roode oplossing gevormd, terwijl eene zwartbruine stof terug- blijft; uit deze oplossing zetten zich na eenigen tijd zeer kleine stakjes van dezelfde kleur af.

Het spoedig aantrekken der vochtigheid van deze in water oplosbare kieurstof is alleen toe te schrijven aan sommige chlo- ruren, die in hare asch voorkomen, zijnde de hoeveelheid van deze laatste door eene kwantitatieve bepaling op niet minder dan 33,501°%/, bevonden: wanneer de witte stof met water gekookt wordt, zonder dat zij te voren met ether en alkohol behandeld was, dan gaf de op 00° C. gedroogde kleurstof, welke even zoo de vochtigheid snel tot zich trok, een asch- gehalte van 27,076%% te kennen.

Bepaling van hetgeen in potassa caustica oplosbaar is. De met kokend water. behandelde kochenille-stof werd nu

met eene zeer verdunde potassa-oplossing bij matige warmte getrokken en daarna van de teruggeblevene vezelstof afgefil-

treerd; in de doorgeloopene vloeistof werd door zeezoutzuur

eene geleiachtige, bruingele zelfstandigheid nedergeslagen , wel- ke op een filtrum gebragt, goed uitgewasschen en op 1000 CG. gedroogd is; zij woog 2,175 gr. = 4,35%.

Wanneer deze stof verbrand wordt, doet zij zulks onder verspreiding van den reeds vroeger aangehaalden reuk naar verbrandende dierlijke ligchamen, terwijl slechts een onbedui- dend spoor van asch terugblijft; zij is in water en alkohol

“«

kh

onoplosbaar, korrelig en moeijelijk tot poeder te brengen; salpeterzuur kleurt haar geel, terwijl zij door toevoeging van ammonia oranjegeel wordt.

Bepaling van het dierlijke weefsel.

Ik geef dezen naam aan de met ether, alkohol, water en potassa uitgetrokkene stof, welke goed uitgewasschen en op 100%, C. gedroogd, terugblijft; zij woog 21,161 gr. = 42,322°/.

Bij verbranding op een platinablik blijft er nog een weinig asch terug, terwijl tevens hierbij bleek, dat er nog een weinig vet in was achtergebleven; zij is graauw wit en lost in sterke potassa caustica niet geheel op; ik geloof de waarheid het meest nabij te komen, als ik haar analoog aan het kraakbeen beschouw.

Bepaling der hoeveelheid kleurstof, welke in de kochenille-stof bevat is.

50 gr. werden zoolang met water gekookt, als zich de vloei- stof nog rood kleurt, deze van het onopgelost geblevene afgezon- derd en bij de oplossing zooveel verdund zwavelzuur gevoegd, tot al de kleurstof was gepraecipiteerd, welke vervolgens op een fillrum gebragt, afgewasschen en gedroogd werd; daarna werd zij met ammonia getrokken, welke een groot gedeelte onopgelost terugliet, terwijl de kleurstof zelve met eene schoo- ne violet-roode kleur werd opgenomen; afgefiltreerd zijnde, werd de doorgeloopene oplossing op een waterbad uitgedampt en op 100° C. gedroogd; zij woog 4,606 = 9,212°/.

Het was te voorzien, dat deze. kleurstof nog eenige anorga- nische stoffen zoude bevatten, zoodat van haar eene aschbe- paling is gedaan.

0,442 gr. gaven bij verbranding 0,048 gr. asch = 10,86°/, zoodat het cijfer der bovengemelde kleurstof op de volgende wijze moet veranderd worden

van 9,212°/, kleurstof gaat af 1,000 asch.

blijft over 8,212%

/

A

KN k

45

Doch ook dat cijfer is slechts als benaderend te beschou- wen, want met kokenden wijngeest van &0°% behandeld, wordt wel is waar het grootste gedeelte als eene uiterst schoo- ne oranjeroode kleurstof opgelost, maar blijft ook nog een weinig van eene donkerroode gekleurde massa over, zoodat men haast zoude kunnen vermoeden dat in de witte koche- nille-stof twee kleurstoffen aanwezig zijn en bovengenoemde hoeveelheid, door ammonia uitgetrokken, als een mengsel van beiden te beschouwen is. |

Verzamelen wij nu alle de hoeveelheden, verkregen door bo- vengenoemde wijzen van behandeling, dan blijkt de witte ko- chenille-stof op 100 deelen te bestaan, uit

2,377 in kouden ether oplosbaar vet.

3,544 kokenden alkohol oplosbare soort van was. 3,046 kouden alkohol oplosbaar met eenig orga- nisch zuur verontreinigd vet.

4,350 potassa caustica oplosbare dierlijke stof.

8,212 kleurstoffen. 14,491 water.

19,879 asch en

42,32 dierlijk weefsel.

te zamen 95,221 verlies à 1,779 100,000

Het was thans de vraag, of van deze stof gebruik kon ge- maakt worden tot afscheiding eener kleurstof, welke gemak- kelijk en op min kostbaren weg te verkrijgen was en tevens in schoonheid van kleur, het karmijn of karmijnlak nabij kwam; dezelfde zwarigheden staan hier evenwel in den weg, welke veelal ontmoet worden, wanneer men zich op technisch terrein bewegen zal. Berzerrus zegt aangaande den aard der berei- ding van het karmijn en lak het volgende, „indien ik hier „eenige algemeene opgaven mededeel omtrent de daarstelling „dezer verwen, kan het geenszins mijne bedoeling zijn, tech-

46

„nische voorschriften voor de juiste bereiding derzelve te ge- „ven,’ en later. „Ik geef hier verder niets daaromtrent aan, „omdat het voorschrift daartoe niet naauwkeurig is; de be- „handeling zelve moet, zal de verw -dien hoogsten graad van „schoonheid erlangen, welke haar eigenlijk de hooge waarde „geeft, van in de kunst bedrevenen geleerd worden.” Dewijl mij nu goede voorschriften tot de bereiding van karmijn enz. ontbraken, onderzocht ik eerst de hoeveelheid organische en anorganische deelen, waaruit het karmijn en karmijn- of flo- rentijnsch lak van den handel bestaan, en zulks ten einde eenig overzigt aangaande de verhouding van deze beiden te verkrijgen. Door de ‘goedheid van den heer stadsapotheker N. Lance werd ik in het bezit gesteld van twee soorten zeer schoon karmijn en even zoovele van karmijnlak; van alle deze deed ik aschbepalingen, welke hier volgen.

Bepaling der asch van eene karmijnsoort No. Î.

0,660 grm. karmijn gaven bij verbranding 0,059 gr. asch, = 8,939°% anorganische en 91061 organische deelen.

100,000 Bepaling der asch van eene karmijnsoort No. 2.

0,401 gr. gaven bij verbranding 0,03f gr. asch, = 7,561°/, anorganische en 92,439 organische deelen.

100,000

Bepaling der asch van eene soort karmijnlak No. 1. (Van eene schoone roode kleur). 0,711 gr. gaven bij verbranding 0,087 gr, asch,

= 12,236% anorganische en 87,764 , organische deelen.

160,000

HT

Bepaling der asch van eene soort karmnlak No. 2.

(Van eene veel minder schoone roode kleur dan de eerste). \

1,325 sgr. gaven bij verbranding 0,035 gr. asch, = 2,642% anorganische en 97,958 organische deelen.

100,000

NB. Dewijl deze soort van lak veel ligter gekleurd was dan de vorige, had ik veel meer anorganische deelen ín haar verwacht dan in de eerste. Om zeker te wezen , deed ik eene tweede aschbepaling tot kontrole, doch deze gaf nagenoeg de- zelfde resultaten (namelijk 2,577°%), zoodat een groot verschil in het aschgehalte van sommige karmijn-laksoorten schijnt te bestaan.

Uit deze bepalingen blijkt dus, dat ook het schoonste kar- mijn en karmijnlak, welke fabriekmatig bereid en in den han- del gebragt worden, nog eene aanmerkelijke hoeveelheid anorganische stoffen bevatten, welke voornamelijk uit aluin- aarde bestaan. Om nu dadelijk uit de witte stof te beproeven karmijn te bereiden, werd het door kokend water verkregene donkerroode aftreksel met verschillende, doch altijd kleine hoe- veelheden ijzervrijen aluin gekookt, vervolgens na bezinking het heldere vocht in eene porceleinen schaal gegoten en aan zich zelf, goed bedekt, overgelaten. Bij de bereiding van het kar- mijn laat men de met aluin behandelde vloeistoffen eenige da- gen lang staan, doch het is zeker, dat eene dergelijke metho- de hier geene gepaste aanwending vinden kan, daar èn door de vele vetachtige en dierlijke stoffen, welke in het afkooksel opgenomen zijn, èn door de steeds hooge temperatuur der keer- kringsgewesten , reeds na verloop van een’ dag de vloeistof aan dusdanige verrotting onderhevig is, dat men zich genood- zaakt ziet haar weg te werpen. Op direkten weg laat zich dus uit deze stof geen karmijn afscheiden.

Ik beproefde thans, om het door water verkregen afkooksel der kochenille-stof met verschillende hoeveelheden aluin te be-

48

deelen en daarna met een alkali alde kleurstof, gebonden aan de aluinaarde, te praecipiteren; deze op een filtrum te brengen, uit te wasschen en te droogen; de verwijdering der kleurstof gelukt op dusdanige wijze volkomen, doch de vele verbindin- gen, welke ik met aluin heb bereid, bezaten door dezelfde ver- ontreinigingen als waarvan bij de proef om karmijn te verkrij- gen is gewaagd, niet die eigenschappen, welke noodig zijn om als handelsartikel op te treden; zij misten de zachtheid en zui- verheid der gewone laksoorten , maar stemden overigens in kleur genoegzaam overeen, welke laatste trouwens naar verkie- zing meerder of minder donker kan verkregen worden, al naar- dat men bij eene gegevene hoeveelheid van het afkooksel, ver- kregen van te voren afgewogene deelen der bewuste stof, groo- tere of kleinere gewigten aluin voegt en dan met een alkali praecipiteert. Verschillende laksoorten, welke ik meteene ver- houding van 10 tot 40 aluinaarde ten honderd lak heb bereid, hadden zeer uiteenloopende sterkte ín kleuren, van het ligt roode tot het nagenoeg zwart-roode toe.

Wanneer , zooals ik reeds in den aanvang dezer bijdrage ge- legenheid had op te merken, de kochenillestof met wijn- geest van 70 à 80 % gekookt is, wordt eene hoeveelheid kleur- stof door dezen opgelost, vermengd met verschillende vetsoor- ten, welke laatste evenwel bij bekoeling van den wijngeest voor het grootste gedeelte zich kristalvormig uitscheiden en dus door filtrering gemakkelijk kunnen worden verwijderd; de ver- kregene vloeistof daarna tot op de helft verdampt zijnde, zet schoone oranjeroode stippen af terwijl zij tot droogwordens verdampt, daarna in water opgelost en met aluin en een al- kali, zooals boven aangegeven is, behandeld, oneindig schoonere verwen geeft dan uit de oplossing door enkele koking met water kunnen verkregen worden. Dewijl deze methode evenwel naar mijne wijze van zien niet genoegzaam technisch is om met vrucht op Java zelf te kunnen worden aangewend, zoo zal ik er hier niet verder over uitweiden.

Volgens mijne overtuiging zoude hef nief overtollig wezen, de volgende hoogst eenvoudige en onkostbare proef in het werk te

49

stellen. Men make door uitkoking met water een afkooksel der witte kochenille-stof, filtrere dat door eenen doek van de onopge- lost geblevene dierlijke zelfstandigheden af en voege onmiddellijk zooveel verdund zwavelzuur (namelijk een deel zwavelzuur uit den handel met vijf deelen water) bij het afkooksel, tot al de kleur- stof is nedergeslagen geworden, iets, dat men ligt bemerkt, _ dewijl het gevormde nederslag tamelijk snel bezinkt en men dan natuurlijk aan de bovendrijvende vloeistof gemakkelijk zien kan, of zij nog kleurstof bevat of niet. ín het laatste geval filtrere men nogmaals, spoele eenige malen het op het filirum teruggeblevene met water af en drooge de gansche massa, welke nu al de kleurstof, gebonden aan eenig zwavelzuur, bevat, in de zon, of ook in denzelfden oven waarin en dezelfde tempera- tuur waarbij de kochenille-beestjes worden gedood. In Euro- pa fabrijkmatig door deskundigen bewerkt wordende, was hef te verwachten, dat aan deze stof welke tot heden toe volstrekt geene waarde had, eenige waarde zoude worden toegekend en zij eene plaats zoude innemen tusschen de vele met haar ge- lijke voortbrengselen, welke voorheen als onnut weggeworpen , doch thans reeds lang eene nuttige toepassing in het dagelijk- sche leven gevonden hebben. Het spreekt overigens van zelf, dat, wil men deze laatste wijze niet volgen, men even goed de gansche oorspronkelijke witte stof ter verwerking naar Euro- pa zenden kan. Zulks is nog gemakkelijker; alleen neemt zij in dit laatste geval veel meer scheepsruimte in en zal dus eenige meerdere kosten na zich slepen.

Vatten wij alle de resultaten van dit onderzoek te zamen, dan blijkt het, dat de witte kochenille-stof gedurende het le- ven van het insekt afgescheiden en welke vooral bij zijne zui- vering verkregen wordt, is eene massa, bestaande uit kleine insekten en gedeelten daarvan, vermengd met de exkrementen dezer diertjes, in welke beiden zijn aangetoond minstens drie goed gekenmerkte en van elkander verschillende vetsoorten, eene in kouden ether, eene andere in kokenden alkohol en de laatste in kouden alkohol oplosbaar, welke èn om het groote ‚gehalte dat gerust op 8% mag gesteld worden, èn het volsla- ui. Á,

50

gen gemis aan overeenstemming met het door meerdere schrij- vers beschrevene coccus-vet (welk laatste. trouwens ook meer van coccus polonicus en veel minder van coscus cacti afstamt ) wel verdienden, uit een meer wetenschappelijk oogpunt te wor- den beschouwd ; dat voorts in deze stof is bevat eene kleurstof gelijk aan die, welke in het kochenille-insekt voorkomt, doch welker bereiding in den vorm van karmijn of karmijn-lak op de gewone wijze, wordt verhinderd door de groote hoeveelheid vet en dierlijke zelfstandigheden welke haar vergezellen, zijnde dit laatste tevens de oorzaak van de snelle ontbinding harer af- kooksels met water, vooral in het Indisch klimaat en dat nog wel dáár, waar minstens over eenige dagen tijdster goede vol- eindiging moest kunnen worden beschikt.

Ik behoud mij voor, om na afloop van meerdere onderzoe- kingen nog eens op dit onderwerp terug te komen.

Weltevreden, den 6den Februarij 1852.

BIJDRAGE

TOT DE KENNIS DER

ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN SINGAPORE,

DOOR

Dr. P. BLEEMER.

In mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van Riouw (Natuurkundig Tijdschrift voor Ned. Ind. Jaarg. II, 1851), gaf ik eene opsomming van de door den heer Tu. CANTOR van Singapore bekend gemaakte vischsoorten, ten getale van 122, Ik vermoedde toen niet, dat ik spoedig in de gelegenheid zou zijn, zelf de kennis der zeefauna van Singapore aanmerkelijk te verrijken.

In November en December 1851 ontving ik belangrijke ver- zamelingen van Singapore, welke ik heb te danken aan den wetenschappelijken ijver van den heer Durronquvor te Singa- pore, alsmede aan de welwillendheid van den heer C. G. Daum, die zich wel met de overbrenging daarvan heeft willen belasten. De bedoelde verzamelingen bevatten de hieronder genoemde soorten. Van de reeds door mij beschrevene is de plaats van beschrijving achter de namen gevoegd.

1. Labraax waigiensis CV. Nat. Tijdschr. N.L Jaarg. Ip. 479. 2. Apogon rhodopterus Blkr. nov. spec.

BE glaga Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoid.

4. Serranus crapao GV. ibid.

ö. nn altwvelis CV. ibid.

6. Plectropoma maculatum CV. ibid.

52

. Mesoprion annularis GV. ibid.

___chrysotaenia Blkr. Nat. Tijdschr. N.L II p. 170.

. Myriodon scorpaenoïdes Bris. d. Barnev. ibid. p. 480.

. Therapon theraps GV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd.

. Helotes sexlineatus CV. Nat. Tijdschr. N. IL. HI p. 171.

Holocentrum orventale CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. . Sphyraena gello CV. ibid.

zi obtusata CV.? ibid.

. Polynemus tetradactylus GV. ibid. Upeneoïdes variegatus Blkr. ibid.

ke sulphureus Blkr. = Upeneus sulphureus GV. ibid. ie vittatus Blkr. = Upeneus vittatus CV. ibid. Platycephalus isacanthus CV.?- Nat. Tijdschr. N. IL. II p. A81.

. Pristipoma nageb Rüpp. Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaenoïd. . Diagramma punctatum Ehr. ibid.

5 plectorhynchus CV. ibid.

. Scolopsides Vosmeri GV. ibid.

 margaritifer GV. ibid. 5 monogramma K. v. H. ibid.

. Girella sarissophorus Blkr. = Crenidens sarissophorus

Cant.

. Heterognathodon bifasciatus Blìkr. Verh. Bat. Gen. XXIII

Sciaenoïde

. Dentex tolu CV. ibid. Sparoid. …Lethrinus rhodopterus Blkr. nov. spec. 50.

Pentapus setosus CV. Nat. Tijdschr. N. í. II p. 175. Caesio coerulaureus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIII Maenoid. > __ erythrogaster K.v. H. ibid.

. Scatophagus argus CV. ibid. Chaetodont. Chelmon rostratus CV. ibid. . Holacanthus annularis GV. ibid.

n sexstriatus K. ve H.

. Platax gampret Blkr. ibid.

___teira CV. ibid.

39.

40. 41. 42. 45. 44. 40. 46. 47. 48. 49. 50. ò4. 52.

3.

ò4, 0)

56. ò7. _ö8.

òg. _60

61.

62. 65. 64. 65. 66. 67. 68. 69. 70.

55

Psettus rhombeus CV. ibid. Cybium guttatum CV. ibid. XXIV Makreel. Vissch. Chorinemus sancti Petri GV. ibid. TFrichturus savala GV. ibid. En haumela CV. ibid. Megalaspis Rottlerí Blkr. = Caranx Rotleri GV. ibid. Selar Kuhli Blkr. ibid. Carangoïdes atfropus Blkr. = Carana nigripes GV. ibid. Stromateus niger Bl CV. = Apolectus stromateus CV. Stromateoïdes cinereus Blkr. = Stromateus griseus GV. Equula dacer CV. ibid. Amphacanthus guttatus Bl. Schn. ibid. XXIV Teuthid. 5 virgatus CV. ibid. is javus GV. ibid. hs chrysospilos Blkr. nov. spec. Pomacentrus prosopotaenia Blkr. nov. spec.

Glyphisodon bengalensis GV. Verh. Bat. Gen. XXI Labroïd. Ctenoïd. | 5 coelestinus GV. ibid. 5 plagiometopon Blkr. nov. spec.

Cossyphus macrodon Bìkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gladsch. Labroïd. |

Tautoga melapterus GV. ibid.

Crenilabrus oligacanthus Blkr. Nat. Tijdschr. N. IL. II p. 489.

Scarus micrognathos Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gladsch. Labroïd.

5 rivulatovdes Blkr. ibid.

on aeruginosus GV. ibid.

Ki harid Forsk. ibid.

i) singaporensis Blkr. nqy. spec.

Gobius chlorostigma Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gobioïd. Apoeryptes changua CV. ibid.

Batrachus grunniens CV. Nat. Tijdschr. HI p. 487. Echeneis neucrates L. Verh. Bat. Gen. XXIV Chiroc. Lutod. Machaerium nebulatum Blkr. nov. spec.

5

71. Arius leiotetocephalus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI, Siluroïd. batav.

72. …„ _macruropterygius Blkr. ibid.

75. Plotosus unicolor K.v. H. ibid.

Br, albilabris CV.

75. Chirocentrus dorab CV. Verh. Bat. Gen. XXIV, Chiroc. Lutod.

Zoen „__… _hypselosoma Blkr.

77. Belone caudimacula Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV. Snoek.

78. _„ melanotus Blkr. ibid.

79. _„ leivroïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N.I. I. p. 479.

80. Hemiramphus Quoit CV. ibid. II p. 491.

81. Dussumierii CV. Verh. Bat. Gen. XXIV, Snoek. Vissch.

82. Pellona Russellii Blkr. ibid. Haring. Vissch.

85. Alausa ctenolepis Blkr. ibid.

84. Engraulis Brownii GV. ibid.

85. É Dussumierii CV. ibid.

86. Saurida tombil GV. ibid. Chir. Lutod.

87. Hippoglossus erumei Cuv. ibid. Pleuronect.

88. Synaptura aspilos Blkr. nov. spec.

89. A zebra Cant. Verh. Bat. Gen. XXIV, Pleuronect, 90. Plagusia brachyrhynchos Blkr. ibid. 91. Conger talabon Cuv. \

92. _… _singaporensis Blkr. nov. spec.

95. Balistes stellatus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIV, Balistin.

94. Monacanthus Cantoris Blkr. ibid.

95. Triacanthus Blochit Blkr.

96. Tetraödon Kunhardtii Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV, Blootk. Visschen.

97. ie testudineus Bl. ibid.

98, oe lunaris Guv.gbid.

99. Hippocampus kuda Blkr. nov. spec.

100. Ginglymostoma Rüppellii Blkr.

101. Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. Verh. Bat.

Gen. XXIV Plagiost.

102. Taeniura lymma MH. ibid.

55

Van deze soorten zijn slechts 29 vermeld door den heer CaNtoRr. Het geheele aantal mij bekende species van Sin- gapore stijgt daardoor van 122 tot 195, zoodat ik de ken- nis der vischfauna van dit eiland, met die van niet minder dan 73 species heb kunnen verrijken.

Vergelijkt men voorts de van Riouw bekende vischspecies met die van Singapore, dan blijkt het, dat van de 75 bekende Riouwsche soorten 99 of ongeveer de helft ook te Singapore zijn aangetroffen en dat het geheele aantal van den Archipel van Riouw en Singapore bekende species 232 bedraagt.

De bedoelde 195 species van Singapore zijn de volgende.

1. Lates nobilis CV. 2. Labrax waigiensis CV. 8 &. Apogon rhodopterus Blkr. BEE poecilopterus K. v. H. ven guadrifasciatus GV. Ors, glaga Blkr. 7. Serranus crapao CV. 8. ie horridus K. v. H. 9. va suillus CV. = Serranus cotoïdes Cant. 10. 5 altivelis GV. | 11. Plectropoma maculatum CV. 12. Mesoprion rangus GV. 15. zh chrysotaenia Blkr. 14. De annularis GV. 15. Myriodon scorpaenoïdes Bris. de Barnev. 16. Therapon puta CV. = Therapon trivittatus Cant. MT) theraps CV. 18. Helotes sexlineatus GV. 19. Holocentrum orientale CV. 20. Sillago acuta CV. = Sillago malabarica Cant. 21. Sphyraena jello CV. 23, obtusata-CV. 25. Polynemus tetradactylus Shaw. 24. kiss uronemus GV. = Polynemus indicus Shaw.

56

25. Upeneoïdes sulphureus Blkr.

26. na vittatus Blkr.

Re En variegatus Blkr.

28. Platycephalus isacanthus CV.

29. Apistus trachinoïdes CV. = Prosopodasjs trachinoïdes Cant. |

30. Otolithus biauritus Cant.

AM en, ruber GCV.

Eelt ss argenteus K,. v. H.

545 INNEN maculatus K. v. H.

84. Corvina Dussumierii CV.

5E Belengeri CV.

TMR catalea CV.

57. Umbrina Russellit CV.

58. Pristipoma kaakan CV.

99. oe nageb Rüpp.

40. Diagramma punctatum Ehr. = Plectorchynchus balteatus Cant.

Al. s plectorhynchos GV.

42. Girella sarissophorus Blkr. = Crenidens sarissophorus Cant,

48. Lobotes erate GV.

A4. Scolopsides Vosmeri CV.

45. ie margaritifer CV. 46. B monogramma K. v. H. 47. Heterognathodon bifasciatus Blkr.

48. Dentexr tolu CV.

49, Lethrinus rhodopterus Blkr.

50. Pentapus setosus CV.

òf. Caesio coerulaureus Lac.

52. erythrogaster K.v. H.

53. Chelmon rostratus CV.

5k. Heniochus macrolepidotus CV. = Diphreutes macrolepido- tus Cant. 5

85. Ephippus orbis CV. = llarches orbis Cant.

56. Drepane longimana CV. = Harpochirus punctatus Cant.

87. Scatophagus argus CV. = Cacodoxus argus Cant.

58. óg. 60. 61. 62. 65. 64. 65. 66. 67. 68. 69. 70. 71. za.

78.

74. 78. 76. 77. 8. 79. 80.

81. 82. 85. 84. 85. 86. B. 88. 89. 90. 91. 92.

95.

Holacanthus sexstriatus K. v. H. H annularis CV.

Platax Bloch CV. = Platax vespertilio CV.

Ds teira GV.

> __gampret Blkr.

ge arthriticus CV.

es ocellatus CV. Psettus rhombeus CV. = Monoductylus rhombeus Cant. Tozotes jaculator CV. Cybium guttatum GV.

Ne Commersonii CV. % A lineolatum CV. Trichturus haumela CV. iP savala CV.

Elacate bivittata CV. Chorinemus sancti Petri CV. EN Commersonianus GV. pa tol. GV. Stromateus niger Bl. Megalaspis Rottleri Blkr. Selar Kuhlit Blkr. Carangoïdes talamparah Blkr. = Caranx malabaricus GV.

h atropus Blkr. = Caranx mgripes GV. e citula Blkr. = Caranx citula GV. 5 gallichthys Blkr. = Gallichthys major GV.

Selaroïdes leptolepis Blkr. = Caranx leptolepis K. v. H. Gnathanodon spectosus Blkr. = Caranx speciosus CV. Seriola binotata GV. Lactarius delicatulus CV. Stromateoïdes atoukota Blkr. = Stromateus atous CV. 5 cinereus Blkr. Kurtus indicus Bl. Equula caballa GV. jk filigera GV. EL dacer CV. pe longimana Cant,

58

94. Equula insidiatrie CV. 95. Gazza minuta Blkr. 96. Amphacanthus javus CV. = Teuthis javus Cant.

7. BE chrysospilos Blkr. nov. sp. 98. SS guttatus Bl. Schn. 99. 5 virgatus GV.

100. Mugil cephalotus CV.

101. _ _ecunnesius GV.

102. Gobius chlorostigma Blkr.

105. Apocryptes changua GV.

104. Periophthalmus Schlosseri CV.

105. Petroskirtes variabilis Cant.

106. Echeneis neucrates L.

107. Antennarius hispidus Cant. = Chironectes hispidus CV. 108. a Commersoni Cant. = __ Commersonii CV. 109. Batrachus grunniens GV.

110. Glyplisodon bengalensis GV.

AM. Eh rahti CV. 112. a coelestinus GV. 115. be plagiometopon Blkr. nov. spec.

114. Pomacentrus prosopotaenta Blkr. nov. spec.

115. Cossyphus macrodon Blkr.

116. Cremilabrus oligacanthus Blkr.

117. Tautoga melapterus CV.

118. Scarus micrognathos Blkr.

119, _„ _aeruginosus GV.

BO Ng harid Forsk.

RD rwulatoïdes Blkr.

122. _ singaporensis Blkr.

125. Arius arius CV.

124. _macruropterygius Blkr.

125. * „, _leiotetocephalus Blkr.

126. Osteogeneiosus militaris Blkr. = Arius militaris CV. 427. Plotosus lineatus CV. = Plotosus anguillaris Cant. 128. pr unicolor K. v. H.

129. n albilabris. GV.

59

150. Chirocentrus dorab CV.

151. zh hypselosoma Blkr._

152. Dussumieria acuta CV.

55. Belone caudimacula Cuv.

454. leturoïdes Blkr.

155. melanotus Blkr.

156. Hemiramphus Dussumieriùi CV.

157. D Quoijt GV. , 158. Pellona Russellit Blkr.

159. _„ _ Grayana CV. = Pellona affinis Cant. 140. Raconda Russelliana Gray.

141. Clupeonia perforata Cant.

142. Alausa toli CV.

145. _„ _ctenolepis Blkr.

144. Coïlia Reynaldi CV.

145. Engraulis Brownü CV.

146. NS mystax CV.

147. on Dussumterùi CV.

148. Saurida tombil CV.

149. Saurus ophiodon CV.

150. Platessa Russellit Gray-

154. Hippoglossus erumei Cuv.

152. Sijnaptura aspilos Blkr. nov. spec. 155. 7 zebra Cant.

154. eh Commersoniana Cant. 455. Plagusia quadrilineata K. v.;H. = Plagusia bilineata Cant. 156. sf potous Cuv.

157. id brachyrhynchos Blkr.

158. Machaerium nebulatum Blkr. nov. spec. 159. Conger talabon Blkr.

160. _„ _bagio Cant.

161: _„ _singaporensis Blkr.

162. Ophiurus baccidens Cant.

165. Balistes stellatus Lacép.

164. conspicillum Bl. Schn.

165. Monacanthus geographicus Cuv.

166. 167. 168. 169. 170. 471. 172.

175.

174. 175. 176. 177.

178.

179.

180.

181.

182.

185. 184. 185. 156. 187. 188, 189. 190. 191. 192. 195. 194. 195.

60

Monacanthus Cantoris Blkr.

‚N penicilligerus Cuv. Pogonognathus barbatus Blkr. = Alutarius barbatus Cant. Triacanthus Russellii Blkr. = Friacanthus biaculeatus Cuv.

he Blochü Blkr. = Friacanthus biaculeatus Bl. Tetraödon Kunhardtii Blkr.

ke testudineus Bl.

är simulans Cant.

pf lunaris Cuv.

Ostracion cornutus L. Syngnathoïdes Blochù Blkr.= Syngnathus biaculeatus Bl Hippocampus kuda Blkr. nov. spec. Scyllium maculatum MH, Ginglymostoma Rüppellii Blkr. Carcharias (Scoliodon) acutus MH. Sphyrna zygaena Rafin. 4 Bloch MH. Pristis semisagittatus Lath. Rhynchobatus laevis MH. Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. 5 (___ » _) hgonifer Cant.

Platyrhina sinensis MH. Astrape dipterygia. MH. Temera Hardwick Gray. Trygon uvarnak Rüpp.

De imbricata MH. Pteroplatea micrura MH. Hypolophus sephen MH. Taeniura lymma MH. Aëétobatis narinari MH. = Stoüsodon narinart Cant.

Van deze 195 species zijn 28 door mij ontdekt of voor het eerst beschreven. Meerderen dier nieuwe soorten heb ik ech- „ter reeds vroeger bekend gemaakt , zooals Apogon glaga, Mesoprion chrysotaenia, Upeneoïdes variegatus, Platax gam-

pret,

Selar Kuhlii, Gobius chlorostigma, Crenilabrus oligacan-

61

thus , Scarus micrognathos, Scarus rivulatoïdes, Arius leioteto- cephalus, Arius maecruropterygius, Belone leturovdes, Belone melanotus, Alausa ctenolepis, Plagusia brachyrhynchos, Te- traödon Kunhardti, Monacanthus Cantoris.

In deze bijdrage worden voor het eerst beschreven Apogon rhodopterus , Lethrinus rhodopterus, Amphacanthus chrysospilos, Glyphisodon plagiometopon, Pomacentrus prosopotaenia , Sca- rus singaporensis, Chirocentrus hypselosoma, Synaptura a- spilos, Machaerium nebulatum, Conger singaporensis, Hippo- campus kuda. De beschrijvingen van enkele soorten, voorko- mende in het nog niet in het licht verschenen 2áste deel der Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, heb ik hier teruggegeven, als aan het wetenschappelijk publiek nog onbekend.

Van andere reeds min of meer bekende soorten heb ik nieuwe beschrijvingen ontworpen en daarbij de noodige toelichtingen gevoegd.

DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE,

PERCOIDEL

Apogon rhodopterus Blkr.

Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 in ejus longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 34 in longitudine corpo- ris, paulo longiore quam alto; oculis diametro 3 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; praeopereulo rotundato fortiter dentato; maxilla superiore sub oculi limbo posteriore desinente ; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 9 p. m. in serie verti- cali; linea laterali subarborescente; dorso elevato; pinna dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spinis validis, spina ceteris longiore; dorsali radiosa et anali rotundatis, dorsali anali altiore; pectoralibus et ventrali- bus longitudine aequalibus, analem non attingentibus, 5 circiter in longi- tudine corporis; caudali emarginata lobis obtusis 44 in longitudine corpo- ris; colore corpore aureo-viridi; dorso fasciis 2 transversis, 12 sub initio pinnae dorsalis spinosae, 2* sub fine pinnae dorsalis radiosae; cauda ma- cula rotunda nigra; pinna dorsali spinosa fuscescente nigro marginata; pinnis ceteris rubris et aurantiacis; caudali membrana fusca.

B. 7. D. 6-1/9 vel 1/10. P. 2/12. V. 1/5..A- 2/8 vereren Oe Lee

spinul. lateral. sup. 5 infr. 4,

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo speciminis unici 132”,

Deze soort staat in verwantschap tusschen Apogon trimacu- latus CV. van Boeroe en China en Apogon bifasciatus Rüpp. van de Roode zee. Aan laatstgenoemde beantwoordt zij zelfs ten opzigte van de plaatsing en gedaante der rugbanden en staartvlek, maar zij verschilt er van door ligte wijzigingen in de overige kleuren en voornamelijk door spitser, niet bol profiel, langwerpiger ligchaam, grootere bekspleet, één doorn minder in de fste rugvin, die aanmerkelijk lager is dan de 2de rugvin, en door afgeronde 2derugvin en aarsvin.

Van de ÎS8 mij thans bekende soorten van Apogon van den Indischen Archipel bevinden er zich 2 in mijne verzameling,

68

t. w. Apogon hyalosoma Blkr. (Apogon thermalis Blkr. nec CV.) van Java, Sumatra, Sumbawa; Apogon quadrifasciatus CV. van Java, Singapore, Pinang; Apogon novemfasciatus CV. (Apogon balinensis Blkr. olim) van Bali, Sumatra; Apogon mul- titaeniatus Ehr. van Sumbawa; Apogon macropterus K. v. H. van Java, Sumatra; Apogon glaga Blkr. van Java, Singapore; Apogon chrysotaenia Blkr. van Java; Apogon melas Blkr. van Sumbawa; Apogon Cantoris Blkr. van Riouw; Apogon rosei- pinnis GV. en Apogon Hartzfeldü Blkr. van Amboina en de bo- venbeschrevene. De overige bekende soorten van den Archipel zijn Apogon nigripinnis GV. van Java, Celebes; Apogon fu- catus Cant. van Pinang; Apogon poecilopterus K.v.H. van Java, Singapore, Pinangs Apogon orbicularis K. v. H. van Java, Amboina, en Apogon trimaculatus CV. van Boeroe.

SCLEROPAREL. Platycephalus isacanthus GV?

Ik beschreef deze soort in mijne bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van Riouw naar 2 specimina van 220” en 230” lengte. Mijn specimen van Singapore is 290” lang en heeft alle vinnen fraai met geel gemarmerd en de meeste vinnen tevens met bruine of zwartachtige vlekjes geteekend.

SCIAENOÏDEI. Girnerra Blkr.

Dentes maxillares pluriseriati tricuspidati. Apertura bran- chialis sub angulo praeoperculi desinens. Pori mentales plures conspicui. Membrana branchiostega radiis 6. Pinna dorsalis unica. Spina dorsi prima procumbens.

Aanm. De bovenstaande diagnose komt in de hoofdkarak- ters overeen met- die van Grella Gray, Richards. De heer Cantor brengt de soort, welke mij aanleiding geeft tot voorstelling van dit geslacht, tot Crenidens CV. en onder dit geslacht tot het subgenus Girella, hetwelk gekenmerkt

64

wordt als van Crenidens te verschillen , doordien alle kaaktan- den driepuntig zijn. Het komt mij evenwel voor, dat Gerella tot een eigen geslacht behoort verheven te worden, verschil- lende van Crenidens niet alleen door de afwezigheid van kor- relachtige kaaktanden, maar ook door zijne zes kieuwstralen, vertikale spleetvormige kieuwopening, getand praeoperkel, liggenden doorn voor de eerste rugvin enz. Het getand zijn van het praeoperkel doet dit geslacht zelfs uit de familie der . Sparoïden verwijderen. Blijkbaar echter is dit kenmerk van zeer ondergeschikte waarde ten opzigte van de onderscheiding van familiën,.gelijk ik zulks reeds in eene vroegere bijdrage heb aangemerkt. Evenzeer als het getand zijn des praeoper- kels de groote verwantschap niet verbreekt tusschen Girella en Crenidens, evenmin verbreekt zulks de groote overeenkomst tusschen Heterognathodon en Pentapus, welke evenzeer volgens de Cuviersche diagnose in twee verschillende familiën zouden behooren plaats te nemen.

Ik kan den heer Rrcuarpson niet bijstemmen, wanneer hij de Melanichthys der Fauna gzapontca tot Crenidens CV. terug- brengt. Het geslacht Melanichthys verschilt toch niet alleen

van Crenidens door algemeenen habitus, maar ook door zijn,

tandenstelsel en van Gtrella insgelijks door beide momenten. Van de bekende geslachten van Sciaenoëïden heeft Girella het meest van Diagramma en Pristipoma.

Grrella sarissophorus Cant.

Girell. corpore oblongo compresso, altitudine 22% ad 23 in ejus longi- tudine, latitudine 2} ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 4 eirciter in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis dia- metro 44 ad 42 in longitudine ecapitis; rostro convexo oculo longiore, ante os prominente; osse suborbitali oculi diametro altiore; maxillis den- tibus pluriseriatis omnibus tricuspidatis serie externa majoribus; mento

poris 10 valde conspicuis; praeoperculo obtusangulo rotundato postice den-

En

ticulato; operculo medio alepidoto; dorso elevato; squamis ctenoïdeis,

lateribus 46 p. m. in serie longitudinalis spina procumbente ante pinnam dorsalem; pinna dorsali spinam ultimam et penultimam inter usque ad basin fere incisa, spina 4* maxime elongata, parte radiosa ut et pinna anali squamulosa antice angulata postice rotundata; pinnis pectoralibns acutis

65

43 ad 5, eaudali subtrunecata non emarginata, maxima parte squamosa), 5} eireiter in longitudine corporis; ventralibus acutis, spina valida, radio filigero anum attingente; colore corpore superne pinnisque verticalibus fuscescente-viridi, inferne argenteo, pinnis pectoralibus ventralibusque vi- ridi-aurantiaco.

Bio D, 1 procumb. + 10/16. B. 2/18. V. 1/5. A. 3/15. C. 17 et lat,

brev.

Synon. Crenidens sarissophorus Cant. Catal. Mal. Fish. p. 52 tab. 1 fig. 1-4.

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo 2 speciminum 275” et 325”,

Aanm. De heer Cantor ontdekte deze soort op Pirang in 1845 en gaf daarvan eene afbeelding en uitvoerige beschrijving in zijne Catalogue of Malaijan Fishes.”’ Ik vind er echter 6 kieuwstralen en niet 5, zooals de heer Cantor aangeeft. De soort is zeer kenbaar door haren zeer verlengden 4" rugdoorn.

SPAROIÏIDEI.

Lethrinus rhodopterus Bikr.

Lethrin. corpore oblongo compresso, altitudine 84 in ejus longitudine, patitudine 24 circiter in ejus altitudine; capitesacuto, 33 circiter in longi- tudine corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 82 in longie tudine capitis; linea rostro-frontali concaviuscula; fronte convexa; nucha non gibbosa; rostro acuto oculo duplo circiter longiore ; maxillis aequalibus, superiore ante oculum desinente; dentibus utraque maxilla serie externa antice caninis 4 magnis curvatis, lateribus antice conicis postice globosis , seriebus internis minimis; labiis crassis; osse suborbitali angulo oris oculi diametro altiore; praeoperculo rotundato; operculo postice spina unica plana; linea dorsali rotundata; squamis ciliatis, lateribus 48 p. m. in se- rie longitudinali; pinna dorsali spina 5* spinis ceteris longiore, parte ra- diosa rotundata; pinnis pectoralibus acutis 88, ventralibus acutis 54, cau- dali emarginata lobis acutis 5 circiter in longitudine corporis; anali spina da spinis ceteris longiore; parte radiosa postice angulata paulo humiliore; colore corpore superne olivaceo-viridi inferne argenteo; lateribus sub linea laterali macula diffusa nigricante magna; pinnis rubris vel aurantiacis.

B. 6. D. 10/9 vel 10/10. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/8. vel 3/9. C. 17 et

lat. brev.

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo speciminis unici 342”,

HL. 5

66

Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Zethrinus harak Rüpp, welke echter korter van ligchaam is, stomperen kop en ander profiel, kortere borstvinnen en, de staartvin uitgezonderd, witachtige vinnen heeft. Ik kan de bovenstaande beschrijving tot geene der mij bekende terugbrengen. De karakteristiek der soorten van Zethrinus is moeijelijk, wegens de groote overeenkomst van vele soorten onderling en door het onvoldoende van meeste bestaande beschrijvingen.

TEUTHIDES.

Amphacanthus chrysospilos Blkr.

Amphac. corpore oblongo compresso, altitudine 23 in ejus longitudine, latitudine 32 in ejus altitudine; capite obtuso 5 in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula ante oculos convexiuscula; linea rostro-pectorali convexa; oculis diametro 34 in longitudine capitis; osse suborbitali supra angulum oris altitudine oculi diametrum subaequante; operculo, praeoperculo et osse scapulari valde striatis; squamis minimis; pinna dorsali partem spinosam inter et radio- sam vix emarginata, spinis mediocribus, mediis ceteris majoribus, 1* ce- teris breviore, parte radiosa parte spinosa altiore rotundata; pinnis pecto- ralibus obtusis capite bravioribus; ventralibus pectoralibus brevioribus; anali spinis validis postica ceteris longiore, parte radiosa parte spinosa altiore rotundata; caudali profunde semilunariter emarginata, lobis acutis 4 eirciter in longitudine corporis; colore corpore coeruleo, guttis valde confertis aureis sve1 aurantiacis; pinnis dorsali et anali spinosis nigricante nebulatis, dorsali et anali radiosis nigricantibus; pectoralibus radiis viri- di-fuscescentibus; ventralibus violaceis; caudali nigricante-viridi.

B. 5. D. 1 procumb. + 13/10 vel 13/11. P. 2/15. V. 1/3/1. A. 7/9

vel 7/10. C. 17 et lat. brev.

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo speciminis unici 292,

Aanm. Amphacanthus chrysospilos heeft in habitus en kleur- teekening het meest van Amphacanthus guttatus Bl. Schn. doch verschilt daarvan ten duidelijkste door minder bol profiel van den kop, sterk gestreept zijn der operkels, hoogeren nek, sterk uitgeronde tweekwabbige staartvin, korteren laatsten rugdoorn en zeer digt bijeenstaande goud- of oranjekleurige vlekjes. Deze vlekjes strekken zich bij mijn specimen uit tot

67

op de doornachtige rugvinen de basis der staartvin. Bij Am- phacanthus guttatus Bl. Schn. zijn de vlekjes grooter en ver- der vaneenstaande.

LABROIDEL CTENOÏDEL

Glyphisodon plagiometopon Blkr.

Glyphis. corpore oblongo compresso, altitudine 22 in ejus longitudine, latitudine 24 in ejus altitudine; capite 4 in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali capite valde obliqua convexius- cula; oeulis diametro 4 in longitudine capitis; rostro oculo longiore; osse suborbitali angulo oris altitudine oculi diametrum aequante; praeoperculo subreectangulo angulo rotundato;s dentibus maxillis apice vix emarginatis, cuneiformibus; squamis lateribns 26 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali rotundatis, dorsali spina ultima spinis ceteris longiore; pectoralibus obtusis et ventralibus non productis capite paulo brevioribus, longitudine aequalibus; caudali vix emarginata angulis obtusa, 5 fere in longitudine corporis; colore toto corpore fusco; capite coeruleo punctato; squamis lateribus vitta transversa coerulea; pinnis fuscis, dorsali et anali radiosis basi coeruleo guttatis.

BEE 13/14 vel 13/15. P. 2/15. V. 1/5. À. 3/14 vel 2/15. C2'15

et lat. brev.

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo speeiminis unici 164”,

Aanm. Men kan deze species bij den eersten oogopslag herkennen door haar zeer schuinsch profiel en kleuren.

Pomacentrus prosopotaenta Blkr.

Pomac. corpore oblongo compresso, altitudine 83 in ejus longitudine, latitudine 2% in ejus altitudine; capite obtuso 42 in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali vertice convexa, rostro et ante oculos declivi-rectiuscula; oculis diametro 4 circiter in longitudive capitis; rostro oculo vix longiore; osse suborbitali angulo oris oculi dia- metro humiliore, postice valde dentato; praeoperculo rotundato dentibus valde conspicuis; operculo spina unica parva plana; squamis lateribus 29 p. m. in serie longitudinalis; pinnis dorsali et anali angulatis rotundatis , dorsali spinis gracilibus postica spinis ceteris longiore; pinnis pectoralibus obtusis et ventralibus acutis longitudine subaequalibus, capite paulo bre- vioribus; caudali emarginata lobis obtusis rotundatis 4 et paulo in longi-

tudine corporis; colore corpore aureo-viridi vel fuscescente-viridi; vittis

68

interoculari et oculo-maxillaribus gracilibus coeruleis; ossibus opercularibus coeruleo guttulatis et maculatis; squamis lateribus plurimis vittula transversa coerulea; pinnis fuscescente-violaceis vel viridibus, dorsali et anali mar- ginem versus vitta longitudinali coerulea, basi coernleo guttatis.

B. 5. D. 13/14 vel 13/15. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15

et lat. brev. Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 140”.

Aanm. In habitus heeft deze soort veel van Pomacentrus trimaculatus CV. doch verschilt daarvan door andere kleuren en f straal minder in rug- en aarsvin.

LABROÏDEI CIJCLOÏDEI.

Crenilabrus oligacanthus Blkr. (descriptio emendata).

Crenil. corpore oblongo compresso, altitudine 3} ad 82 in ejus longi- tudine, latitudine 2 ad 2! in ejus altitudine; capite obtuso 4 in longitudine corporis, vix longiore quam alto; linea rostro-frontali junioribus con- vexiuscula, adultis convexa; oculis diametro 34 ad 5 et paulo in longi- tudine capitis; rostro convexojs osse suborbitali junioribus altitudine ocu- lum aequante, adultis oculi diametro duplo altiore; maxillis subaequali- bus, dentibus, caninis exceptis, uniseriatis, ex parte graniformibus ex parte conicis obtusis; maxilla superiore angulo oris dentibus angularibus 2 conicis prominentibus; dentibus caninis magnis curvatis utraque maxilla 45 ecaninis intermaxillaribus internis caninis ceteris majoribus, externis ceteris minoribns; caninis inframaxillaribus subaequalibus, externis diver- gentibus, internis convergentibus; praeopereulo rectangulo angulo rotan- dato, margine posteriore denticulato; dentibus pharyngealibus graniformi- formibus; osse pharyngeali inferiore crista dentibus 3 conicis majoribus; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinalis linea laterali singulis squamis arborescente; pinna dorsali radiosa dorsali spinosa altiore, rotun- data; pinnis pectoralibus obtusiusculis 5 in longitudine corporis, ventralibus adultis radiis 2 anticis productis pinnam analem attingentibus, junioribus analem non attingentibus; anali junioribus obtusa, adultis postice angulata; caudali truncata 6 circiter in longitudine corporis; colore corpore virides= cente ; marginibus squamarum aurantiacis; linea laterali supra pinnas pec- torales macula magna fusca; lateribus vittis longitudinalibus coerulescen- tibus; capite viridi vittis oculo-maxillaribus et opercularibus coeruleis et rubris; dentibus viridibus; pinnis junioribus aurantiacis; dorsali radiosa et caudali ocellis flavescentibus, anali vittis obliquis margaritaceis; adultis pinnis dorsali et anali coerulescentibus maculis numerosis oblongis et

69

rotundis rubris; pectoralibus viridescente-rubris; ventralibus coerulescen- tibus radio rubro-violaceo; caudali rubra coerulescente guttata. BEND 13/7 vel 13/8. P.'2/14. V. 1/5, A. 3/10 vel 3/11. C. 12 et lat. brev. Habit. Singapore, in mari. Longitudo 5 speciminum 98” ad 260”.

Aanm. Ik gaf van deze soort eene beschrijving naar 4 jeug- dige specimina in mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthyolo- gische fauna van Riouw (Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 489). Se- dert ontving ik van Singapore een specimen van 260” lengte, hetwelk door vormen van kop en door kleuren zoodanig van de jongere specimina verschilt, dat ik gemeend heb, eene nieuwe beschrijving der soort te moeten ontwerpen. Bij het oudere specimen is de kop veel stomper, het onderoogkuils- been betrekkelijk veel hooger, zijn de buikvinnen veel meer verlengd , de aarsvin hooger en hoekiger en de kleuren , vooray die der vinnen veel fraaijer en duidelijker. Het volwassen specimen heeft in habitus veel van Cossyphus macrodon Blkr.

Scarus singaporensis Bikr.

Scar. corpore oblongo compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, la- titudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 4 in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; vertice elevato; linea rostro-dorsali ante oculos leviter concava; ovulis diametro 7 circiter in longitudine capitis; rostro convexo oculo triplo longiore; maxillis viridi-coeruleis; dentibus 2 angula- ribus prominentibus supramaxillaribus exceptis, externe glabris, margine libero denticulatis; squamis longitudinaliter striatis, lateribus 22 p. m. in serie longitudinali; linea laterali ramosa; pinna dorsali spinis flexilibus ; pinnis pectoralibus ventralibusque acutis, pectoralibus longitudine caput aequan- tibus, ventralibus 12 in longitudine capitis; caudali postice concava radiis externis valde productis; colore corpore rufescente et flavescente-fusco; labiis rubris; squamis lateribus ex parte guttis dilutioribus; pinnis radiis rubris vel aurantiacis coeruleo? marginatis.

BD. 9/10 vel 9/11. P. 2/18. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10, C..13-et

lat. brev.

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo speciminis unici 480”

Aanm. De bepaling der soorten van Scarus behoort tot de

70

moeijelijke punten der Íchthyologie, wegens de onzekerheid der kenmerken, welke men als soortelijke gemeend heeft te moeten bezigen. Weinigen dier kenteekenen zijn bruikbaar ter bepaling der soorten, en hunne: aan- of afwezigheid afhan- kelijk van leeftijden als anderzins. Zulks is van toepassing op de hoektanden der kaken, de gedaanten der staartvin, den vorm des kops enz. Meer vertrouwen verdienen de kleur en op- pervlakte der kaken , het aantal schubben op eene overlangsche rei , de betrekkelijke lengte der borst- en buikvinnen.

Bovenbeschreven specimen heeft groote verwantschap met Scarus limbatus CV. en Scarus nuchipunctatus CV. Het be- hoort tot een dier van zeer gevorderden leeftijd , wat in re- kening gebragt moet worden bij zijne kleuren (die misschien aanmerkelijk anders zijn dan bij de jonge specimina), bij zijne verlengde staartvinstralen en hooge kruin. Ik heb het voor- loopig een’ nieuwen soortnaam gegeven, zonder stellig te dur- ven beweren, dat het niet tot eene der reeds bekende soorten terug te brengen is.

SILUROIDEIL. Plotosus albilabris GV. Poiss. xv p. 916.

*_Plotos. corpore elongato compresso, altitudine 6% in ejus longitudine; capite 6 in longitudine corporis; latitudine capitis 14 circiter, altitudine 12 ad 12 in ejus longitudine; oculis diametro 54 circiter in longitudine capitis, diametro 1% circiter a se invicem distantibus; rostro convexo oculo duplo longiore, antice acute rotundato; labiis crassis; dentibus maxillis conicis acutiusculis, vomerinis subgraniformibus; cirris crassis, nasalibus spinam dorsalem, labialibus opercula, inframaxillaribus externis basin pinnae pectoralis, inframaxillaribus internis opercula attingentibus; spinis dorsali pectoralibusque acutissimis utrinque serratís, dorsali pinna minus duplo humiliore et spinis pectoralibus paulo longiore, 2 in longi- tudine capitis; pinnis ventralibus rotundatis pinnis pectoralibus rotundatis paulo brevioribus; caudali rotundata; appendice anali biloba lobis arbo- rescentibus vel digitatis; colore corpore pinnisque nigro, ventre dilutiore; labiis albis.

B. 10 vel 11. D. 1/4-104 p. m. P. 1/13. V. 13. À.-95rBem. «G. 9s

Synon. Plotose à lèvres blanches CV, Poiss. XV p. 316,

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo speciminis unici 210”.

71

Ik bezit thans 5 soorten van Plotosus van den Indischen Archipel t. w. Plotosus lineatus CV., Plotosus macrophthalmus Blkr., Plotosus unicolor K. v.H., -Plotosus castaneoïdes Blkr. en de bovenbeschrevene. In mijne bijdrage, getiteld: Silu- roideorum bataviensium conspectus diagnosticus” beschreef ik nog als afzonderlijke soorten Plotosus viviparus Blkr., Ploto- sus horridus Blkr. en Plotosus multiradiatus Blkr., doch latere onderzoekingen en de vergelijking van talrijke specimina van zeer verschillenden leeftijd hebben mij overtuigd, dat de in die beschrijvingen opgesomde verschillen niet van soortelijke waarde zijn en dat het aantal kieuw- en vinstralen bij ver- schillende specimina en op verschillenden leeftijd zelfs vrij aanmerkelijk kan verschillen, dat ook de lengte der cirri niet standvastig is en dat de kop en bekspleet en lippen bij toe- nemenden leeftijd steeds betrekkelijk breeder worden. Deze drie laatstgenoemde soorten breng ik thans allen terug tot Plotosus unicolor K.v. H.

Plotosus albilabris CV. is het eerst bekend geworden van Batavia, waar ik haar echter tot nog toe niet heb aangetrof- fen. De heer Cantor vermeldt haar ook als bij Poeloe Pi- nang voorkomende, doch het zou wel kunnen zijn, dat de door dezen verdienstelijken ichthyoloog als Pl. albilabris CV. beschrevene soort tot eene andere species behoort, daar hij als borstvinstralen opgeeft 1/9 en als kieuwstralen Î2 en de buitenste onderkaakscirri beschrijft als korter dan de boven- kaakscirri enz.

CHIROCENTROIDEL

Chirocentrus hypselosoma Blkr.

Chiroc. corpore elongato compresso, altitudine 64% circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine ; capite 64 circiter in lon- gitudine corporis; altitudine capitis }4 circiter in ejus longitudine; oculis ‚diametro 5 circiter in longitudine capitis; rostro oculo non longiore; maxilla superiore sub oculo desinente; maxilla inferiore maxime adscen- dente et ante maxillam superiorem prominente; ore simo; maxilla supe- riore dentibus conicis medioeribus, antice caninis 2 longis horizontalibus convergentibus; maxilla inferiore dentibus elongatis, lateralibus medtis

72

maximis; dentibus palatinis et pterygoïdeis minimis in vittas graciles dispositis; dentibus hyoïdeis valde conspicuis; squamis parvis deciduis; dorso rotundato; ventre cultrato; axillis squamis elongatis; pinna dorsali parti analis anteriori opposita, corpore- plus duplo humiliore et anali paulo plus duplo breviore; pectoralibus acutis 14 circiter in longitudine capitis ; ventralibus oculo brevioribus; anali capite vix longiore et corpore plus duplo humiliore; eaudali lobis acutis 54 cireiter in longitudine cor- poris; colore corpore dorso coeruleo, lateribus inferneque argenteo; pinnis hyalinis vel viridescentibus; caudali nigro marginata.

B.8. D. 16 vel 17, B. '14, V. 1/6. A. 84. C. 19 et Tat. DEEV.

Synon. Wahlah Russ. Cor. Fish. II p. 78 fig. 199.

kan Terak Indig. Samar. Habit. Singapore, Samarang, in mari. Longitudo speciminis unici 415”.

Aanm. Deze soort onderscheidt zich van Chirocentrus dorab CV. voornamelijk door hooger en korter ligchaam, hoogeren kop en langere borstvinnen en staartvin. Bij exemplaren van gelijke grootte dezer beide soorten vallen deze verschillen terstond in het oog. Bij een specimen van Chtrocentrus dorab CV. van dezelfde lengte als het bovenbeschrevene, gaat de hoogte des ligchaams meer dan & maal in zijne lengte, de hoogte van den kop 12/, maal in zijne lengte en de borstvinnen {!/, maal in de lengte van den kop, terwijl er de, kaakstanden aanmerkelijk kleiner zijn.

Het komt mij voor, dat de Wahlah van Russer (Corom. Fish. fig. 199) meer te brengen is tot Chirocentrus hypselo- soma dan tot Chirocentrus dorab CV. De heer Cantor, in zijnen Catalogue of Malaijan Fishes p. 277, heeft reeds te regt de Wahlah met zekeren twijfel onder de synonymen van Chirocentrus dorab GV. opgebragt. |

CLUPEOÏDEL.

_Pellona Russelliù Blkr. Bijdr. tot de kenn. der Har. V. Verh. Bat. Gen. xxiv p. 28.

Pellon. corpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 4 in ejus longitu- dine, latitudine 8 in ejus altitudine; capite subrhomboïdeo, 44 circiter

75

in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivt rectiuscula; oculis diametro 3 ad 84 in longitudine capitis; rostro oculo breviore; ore simo; maxilla superiore sub medio oculo desinente, antice et postice denticulata; maxilla inferiore valde adseendente et ante ros- trum prominente; dentibus intermaxillaribus, supramaxillaribus, infra- maxillaribus, palatinis, pterygoïdeis et lingualibus bene conspicuis; ossi- bus intermaxillaribus antice ligamento cum osse supramaxillari unitis; praco- perculo subrectangulo angulo vix rotundato; operculis et ossibus subor- bitalibus striatis; lineis dorsali et ventrali convexis, ventrali dorsali multo convexiore; ventre cultrato spinis 28 ad 30 serrato, convexitate maxima ante pinnam dorsalem; squamis vulgo transversim striatis, late- ribus 45 ad 50 in serie longitudinali;, axillis inguinibusque squamis elongatis; pinnis, dorsali maxima parte ante pinnam analem sita, radiis posticis radiis analibus anticis oppositis, corpore duplo circiter humiliore; peetoralibus capite brevioribus sed ventrales attingentibus; ventralibus lateraliter ante initium pinnae dorsalis insertis, lineam ventralem maxima parte superantibus, oculo vix brevioribus; anali 82 circiter, caudali lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo- flavescente inferne argenteo; rostro nigro; pinnis flavis, dorsali et caudali fusco marginatis, | Synon. Jangarloo Russ. Corome Fish. II p. 73 fig. 191. Pellona Leschenaultti Blkr. lehth. M. O. Java p. 11. Jkan Mata besar et Ikan Bulan bulan Mal. Batav. Ikan Bulan Indig. Samarang. Jkan Mata leber Indig. Pasur. Habit. Java, Madura, Pasuruan, Singapore, in mari. Longitudo 5 speciminum 143” ad 310”.

Aanm. Deze soort beantwoordt genoegzaam volkomen aan de afbeelding en beschrijving der Jangarloo van Russeru. Eene nadere studie dezer soort heeft mij overtuigd, dat zij niet met Pellona Leschenaultii CV. Poiss. XX p. 226 mag vereenigd worden. De heer Varenciennes toch vermeldt van zijne Pellona Leschenaultii 21 rugvinstralen , ongestreepte schub- ben, waarvan er 70 op eene overlangsche rei zich bevinden, terwijl de buikvinnen er veel verder voor de rugvin zouden liggen. Clupea melastoma T.Schl. der Fauna japonica is eene geheel andere soort als Russerr’s Jangarloo, is aanmerkelijk langwerpiger, heeft langere aarsvin, de rugvin geheel voor de aarsvin gelegen, 48 buikdoornen enz.

UI. 6

74

Alausa ctenolepis Blkr. Bijdr. t. d. kenn. der Haring. V. van den Ind. Arch. Verh. Bat. Gen. vol. xxrv.

Alaus. corpore oblongo compresso, altitudine 4 ad 32 in ejus longitu- dine, latitudine 3 fere in ejus altitudine; capite triangulari, acuto, 5 in longitudine corporis, paulo longiore quam alto; vertice convexo; linea rostro-frontali rectiuscula; oculis diametro 44 ad 5 in longitudine capitis; rostro oculo non breviore; maxillis denticulis vel asperitatibus nullis, su- periore symphijsi valde emarginata, sub oculi parte posteriore desinente; maxilla inferiore symphysi tuberculo praedita; praeoperculo rotundato; lineis dorsali et ventrali convexitate subaequalibus; ventre cultrato, den- tibus 28 vel 29 serrato; squamis valde ciliatis, parte basali transversim striatis, lateribus 40 p. m. in serie longitudinali; axillis inguinibusque squamis elongatis; pinnis, dorsali acuta corpore plus dnplo humiliore, emarginata, antice in 2 tertia parte corporis sita; pectoralibus acutis capite brevioribus ventrales non attingentibus;s ventralibus dorsali mediae circiter oppositis, pectoralibus duplo cireiter brevioribus; anali humili paulo emarginata, pectoralibus breviore; caudali lobis acutis inferiore lon- giore 4 in longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo, inferne argenteo; dorso singulis squamis macula diffusa coerulea; pinnis flaves- centibus, caudali margine posteriore violascente.

B. 6. D.-17 vel 18. BP, 15 vel:l6. V. 1/7 vel-1/6. A. 18 dz 20, Corid

vel 21 et lat. brev.

Synon. Jkan Bulan bulan Mal. Batav.

Habit. Batavia, Muntok, Singapore, in mari.

ka]

Longitudo 5 speciminum 290” ad 420”,

PLEURONECTEOÏDEI.

Synaptura aspilos Blkr.

Synapt. corpore oblongo-ovali, altitudine 24 circiter in ejus longitudine; capite obtuso, rotundato 54 circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; oculis dextris, diametro 1 circiter approximatis, superiore ante inferiorem prominente, diametro 7 circiter in longitudine eapitis; rostro paulo ante os prominente, fimbriato; ore subantico, rictu curvato sub oculi inferioris margine anteriore desinente; labiis mentoque fimbriatis; denttbus maxillaribus pluriseriatis, parvis, subaequalibus; linea laterali capite flexura valde convexa, corpore ad media latera decurrente; squa- mis ciliatis, lateribus 115 p. m. in serie longitudinali usque ad aperturam branchialem; pinnis dorsali, caudali et anali non distinctis, radiis fissis; caudali obtusa rotundata; dorsali ante oculum superiorem ineipiente; pee» torali sinistra pectorali dextra breviore, dextra 4 circiter in longitudine

75

capitis; ventrali dextra ventrali sinistra majore 3 in longitudine capitis; corpore dextro latere nigro immaculato, sinistro latere albo; pinnis dex- tro latere nigris, verticalibus aurantiaco marginatis.

B56. De 70e C. 12 +: AL 55 = D.C. A. 137. P, 6. Vs, 4

Habit. Singapore, in mari,

Longitudo speciminis unici 162”,

Aanm. Van het geslacht Solea Cuv. (Solea et Synaptura Cant.) bezit ik thans 6 soorten, en wel 5 van de afdeeling - van dit genus met volkomen vereenigde vertikale vinnen (Sy- naptura Cant.) t. w. Synaptura zebra Cant., Synaptura pan Cant. , Synapturd panoïdes Blkr., Synaptura Russellië Blkr. en de bovenbeschrevene, terwijl Solea- maculata Cuv. de eenige species is mijner verzameling van Solea in engeren zin (met vrije staartvin). Synaptwra aspilos is gemakkelijk te onder- kennen; van Synaptura zebra Cant. en Synaptura ommatura (Solea ommatura Richards.), door eenvoudige zwarte kleur van de regterzijde des ligchaams; van Synaptura pan Cant. door ongevlekt ligchaam en veel kleinere schubben; van Synap- tura ovalis (Solea ovalis Richards), door langwerpiger on- gevlekt ligchaam; van Synaptura foliacea (Solea foliacea Ri- chards.) door dezelfde kenmerken; van Synaptura panoïdes Blkr. door breeder en ongevlekt ligchaam en veel minder tal- rijke vinstralen; van Synaptura Russellit Blkr. door veel bree- der ligchaam, veel minder talrijke schubben op eene overlang- sche rei en rood gerande vertikale vinnen; van Synaptura Commersontana Cant. (Mal. Fish, p. 222) door grooteren kop, veel breeder ligchaam , minder talrijke vinstralen enz.; van Synaptura plagiusa (Pleuronectes plagiusa Lacép.) door bree- der ligchaam en zwarte kleur; en van Synaptura argentea (Pleuronectes argenteus Lacép.) door breeder ligchaam en zwarte regterhelft des ligchaams. Beide laatstgenoemde soorten zijn door LacÉrtpe slechts oppervlakkig vermeld en zijn nog bij- kans onbekend.

76

OPHIDINL.

Macnaerrum BRuchards. Blkr.

Pinnae dorsalis, caudalis et analis unitae, anacanthae, radiis fissis. Dentes intermaxillares et inframaxillares uniseriati, conici, aequales; palatini vel vomerini nulli. Cirri inframaxil- lares nulli. Membrana branchiostega radijs 6. drag cy- eloideae cutem totam tegentes.

Machaerium nebulatum Blkr.

Machaer. corpore elongato compresso, altitudine 10 in ejus longitudine, latitudine antice 2 fere, postice plus quam 2 in ejus altitudine; capite convexo, in longitudine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longi- tudine; oculis diametro 6 circiter in longitudine capitis, minus diametro l a se invicem distantibus; linea rostro-frontali convexaj; rostro oculo longiore; labiis carnosis; maxillis superiore et inferiore dentibus medio- cribus obtusis, utroque latere p. m. 25; maxilla superiore rictuque sub oculo desinente; maxilla inferiore superiore longiore; capite genis oper- culisque superne tantum squamoso; squamis lateribus 200 p. m. in serie longitudinali; linea laterali anteriore laterum parte tantum econspicua; pianis verticalibus basi radiorum squamosis; dorsali supra apieem pecto- calium incipiente, altitudine maxima 14 in altitudine corporis; pectorali- ‘bus rotundatis 24 in longitudine capitis; anali postice in sexta corporis parte incipiente, altitudine maxima 2 in altitudine corporis; caudali acuta rotundata; corpore pinisque pulchre viridibus, fusco et nigricante nebu- latis et maculatis.

Bs:0 D5 77 Hs CF TO-L Anp65 =D, Ci A: 152, Pehk

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo speciminis unici 370”.

Aanm. Dit geslacht is ontdekt door den heer Rrcrmarpson. Hij maakte daarvan voor het eerst melding in Report of the Brit. Assoc. for 1842 p. 69; later in het 12de deel van de Annals of Nat. Hist. 1843 p. 175 in een artikel getiteld: „Description of the Lurking Machete (Machaerium subducens) from the nor- thern coast of New Holland” en later nog in de zoölogie van de reis der schepen Erebus en Terror (Fish. p. 72 tab. A4 fig. 1-6). Volgens den heer Rrcrarpson gaat bij Machaerium

subducens de kop slechts 7 maal in de geheele lengte, is

71

de snuitlijn een weinig konkaaf, staat hef oog verder achter- waarts, gaat de bekspleet niet tot onder het oog, zijn de kaken van gelijke lengte, de vinstralen = B. 6. D. 71. C. 10, A. 60. P. 10, is de staartvin stomper en het ligchaam niet gevlekt , waarom ik. de bovenbeschrevene soort beschouw als eene verschillende.

De ingewanden van mijn eenig specimen bevinden zich in geen’ voldoenden toestand van bewaring voor een naauwkeu- rig anatomisch onderzoek. Wat de spijsbuis betreft, kan ik mededeelen , dat de maag cylindervormig is en het grootste ge- deelte van de lengte der buikholte inneemt, dat zij zonder blinden zak in den zeer korten dunnen darm overgaat en dat de dikke darm, hoezeer een weinig langer dan de dunne darm, toch tweemaal korter is dan de maag. Lever bestaande uit twee kegelvormige lange kwabben. Geene poortieraanhangsels. Geene zwemblaas. Nieren zich langs de ruggegraat ter lengte van bijkans de geheele buikholte uitstrekkende.

MURAENOIDEI.

Conger talabon Cuv. Règn. anim.

Cong. corpore valde elongato, compresso, altitudine 18 ad 23 in ejus longitudine; latitudine 14 ad 12 in ejus altitudine; capite acuto 54 ad 62 in longitudine corporis; rostro acuto, apice carnoso, clavato, 4 ad 32 in longitudine capitis; linea rostro-frontali, apice rostri excepto, rec- tiuscula vel concaviuscula; oculis diametro 9 ad 10 in longitudine capitis5 naribus anticis tubulatis; maxilla superiore inferiore longiore; dentibus nasalibus pluribus magnis; dentibus palatinis biseriatis, serie externa subgra- niformibus, serie interna conicis; vomere dentibus triseriatis, serie media magnis compressis, tricuspidatis vel simplicibus, seriebus externis co- nicis brevibus; maxilla inferiore antice dentibus aliquot elongatis, lateri- bus dentibus biseriatis, serie externa conicis brevibus, serie interna compressis majoribus; rictu longitudine 2 circiter in longitudine capitis, longe post oculum desinente; apertura branchiali lata; cute laevis li- nea laterali tubulosa; ano antice in tertia corporis parte sito; pinna dorsali supra aperturam branchialem incipiente, antice corpore du- plo vel plus duplo, postice corpore minus duplo humiliore; pectoralibus 25 ad 34 in longitudine capitis, rotundatis; anali corpore plus duplo hu-- miliore; caudali proeessubus 2 osscis inserta; colore corpore superne oli

78

vaceo-viridi inferne albo; pinnis flavescentibus vel viridibus, dorsali ana- lique nigro marginatis. B. 19. D. 232 ad 281. P. 15 vel 16. A,-188 ad 210. C. 10. Synon. Meer Ael Nieuh. Gedenkw. Zee en Lantr. fig. Anguilla indica Willoughb. Talabon Russ. Corom. Fish I p. 27 fig. 38. Conger longirostris Benn. Life of Raffl. p. 692? Ikan Putje kanipa Mal. Batav. Ikan Remang Javan. Samar. Habit. Singapore, in mari. Batavia, Samarang, in mari. Pamangkat, Borneo occidentalis, in mari et ost. fluv. Longitudo 13 speciminum 270” ad 830”.

Aanm. De heer J, Maccreranp (Apodal Fishes of Bengal, in Calcutt. Journ. of Nat. Hist. vol. V.) noemt de Russellsche soort van zijnen Muranesox, M. serradentata en kenmerkt haar met de weinige woorden k Vomerial teeth serrated.” Bij geen mij- ner specimina ontwaar ik echter dat getand zijn van de ploeg- beenstanden en Russrrr spreekt er ook niet van in zijne ove- rigens onvolledige beschrijving. Het schijnt alzoo, dat Murae- nesox serradentata J.M. tot eene eigene soort van Conger behoort.

De twijfelachtige punten omtrent de soorten van Conger met groote ploegbeenstanden (Muraenesox J.M.) zullen eerst behoor- lijk kunnen worden opgehelderd, wanneer voldoende reijen van exemplaren der tot heden opgestelde soorten, mel elkander zullen kunnen worden vergeleken. Conger talabon wordt tot meer dan 1500” lang en komt te Batavia bijkans dagelijks ter

markt. Het vleesch is weinig gewild en wordt slechts door

Inlanders en Chinezen genuttigd.

GYMNODONTES. Fetraödon testudineus Bl. Ausl. Fish. tab. 189.

Tetraöd. corpore oblongo antice circiter aeque alto ac lato, altitudine 41 ad 43 in ejus longitudine; capite obtuso 84 ad 832 in longitudine cor- poris; linea rostro-dorsali convexa; oculis superis, diametro 7 ad 8% in longitudine capitis, diametris 44 circiter a se inviceem distantibus; papillis nasalibus utroque latere 2 conicis oblongis; maxilla superiore prominente;

|

79

capite corporeque totis spinulis scabris; rostro, labiis basibusque pinna- rum laevibus; linea laterali inconspicua; pinnis dorsali et anali flabelli- formibus rotundatis, ecaudali convexa; corpore superne nigricante-viridig maculis rotundis numerosis lutescentibus, inferne argenteo; regione oculo- peetorali fasciis pluribus nigricante-viridibus curvatis parallelis; pinnis viridibus, caudali maculis rotundis lutescentibus. 2/9, P. 2/16, A.-1/9. C, 8 et lat. brev. Synon. Bontwisch Nieuh. Gedenkw. zee- en Lantr. fig. p. 278. Schildkrötenfisch Bloch. Ausl. Fisch. tab. 139. Toadfish Bloch. ibid. | Tetrodon perroquet Lacép. Poiss. id Pp: 477. Arothron testudineus J. Müll. Noulin plathi Incol. Pondic. Ikan Buntak kalappa Mal. Batav. Habit. Singapore, Batavia, in mari. Longitudo 5 speciminum 270” ad 420”.

hd

Aanm. De afbeelding van Nirvnor is duidelijk herkenbaar. Die van Brocu is vrij goed, doch daarop zijn 2 neusgaten afgebeeld, welke niet in de natuur bestaan. De vinnen. zijn er verkeerdelijk rood gekleurd, terwijl er van de vlekken der staartvin niets te zien is. Deze soort is langs de noord- kust van Java als giftig bekend en mag op de markten niet verkocht worden. :

Teiraödon Kunhardtië Blkr. (diagnosis emendata).

Tetr. corpore oblongo antice cylindraceo postice compresso, altitudine 4 ad 5 in ejus longitudine; capite 4 circiter in longitudine corporis; linea rostro-frontali convexa vel declivi rectiuscula; oculis superis diametro 8 ad 6 in longitudine capitis, diametris 1 ad 83 a se invicem distantibus; papillis nasalibus oblongis utroque latere 2 basi unitis; maxilla superiore prominente; vertice, dorso antice ventreque spinulis scabris; rostro et cauda maxima parte vel totis glabris; lateribus junioribus glabris aetate provectioribus spinulis scabriusculis; linea laterali vix conspicua; pinnis dorsali et amali altioribus quam latis, caudali convexa; corpore superne migricante-viridi, inferne albo; lateribus junioribus maculis diffusis viri- descentibus, aetate provectioribus maculis nullis; pinnis viridescentibus, caudali postice nigra. |

D. 2/8 vel 2/9. P. 2/15. A. 2/6 vel 2/7 vel 2/8 vel 1/8, C, 8 vel 9

et lat. brev.

Habit. Singapore et Padang, in mari.

Longitudo 7 speciminum 60” ad 270”,

80

Aanm. Mijne vroegere diagnose dezer soort kon ik slechts nemen naar zeer jeugdige individu’s. Het Singapoersche spe- cimen heeft mij sedert doen zien, dat de soort veel grooter wordt en dat ook hier de huiddoorntjes zich verder over het ligchaam uitbreiden, naarmate het dier ouder wordt.

BALISTINL.

Monacanthus Cantoris Blkr. Verh. Bat. Gen. xxiv, Balist. p. 17 tab. 1 fig. 2.

Monac. corpore oblongo compresso, diametro dorso-anali 24 ad 24 in corporis longitudine, latitudine 4 circiter in diametro dorso-anali; capite acuto 4 et paulo in longitudine corporis, multo altiore quam longo; ocu- lis diametro 4 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali valde concava; rostro acuto oculo triplo fere longiore ; dentibus utraque maxilla 6 acutis apice obliquis vel emarginatis, dentibus maxilla superiore exter- nis autem rotundatis; apertura branchiali ante pinnam pectoralem desi- nente; squamis spinula armatis, parvis sed bene conspicuis, caudalibus ceteris majoribus; cauda spina magna nulla sed spinulis parvis omnibus postrorsum spectantibus tota scabra; dorso elevato valde angulato; spina dorsali supra oculum inserta, rostro longiore, postice dentibus magnis armata; pinnis dorsali radiosa, pectoralibus et anali obtusis angulatis ra- diis omnibus simplicibus; dorsali radiosa et anali diametro dorso-anali quadruplo fere ad quintuplo humilioribus; ventrali flabelliformi, sulcosa, spina ls scabra apice dentata, radiis numerosis filiformibus; caudali radiis divisis, postice convexa, 41 circiter in longitudine corporis; corpore fla- vescente-griseo vel flavescente-fusco nebulato; spina dorsali fusco annulata; pinnis pectoralibus flavis; dorsali radiosa et anali flavescentibus; anali basi leviter fusco reticulata; ventrali fusca coeruleo guttulata; caudali viridescente vittis numerosis transversis fuscis et nigricantibus.

D. 1-28 ad 1-30, P. 12, A. 28 vel 29. CO. 12:

Synon. Jkan Hajam Mal. Batav.

Habit. Batavia, Singapore, in mari.

Longitudo 2 speciminum 135%” et 140”,

Aanm. Ik beschreef deze soort, hoezeer naar slechts een enkel specimen, in mijne Bijdrage tot de kennis der Balistint en Ostraciones van den Indischen Archipel. Het specimen van Singapore is iets langwerpiger dan het Bataviasche en heeft 9 stralen meer in de rug- en Î straal meer in de aarsvin en

öl

vertoont geene drupvormige bruine vlekjes, welke het Bata- viasche specimen bezit. Ik heb hiernaar de diagnose thans gewijzigd. Ik heb deze gemakkelijk herkenbare soort ge- noemd naar den heer Dr. Tu. Cantor, die zich in de ichthy- ologie verdienstelijk heeft gemaakt, vooral door zijnen „Cata- logue of Malayan Fishes.”

ue Blochis Blkr.

Triacanth. corpore oblongo compresso, altitudine 32 in ejus longitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite acuto 4 circiter in longitu- dine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 ecirciter in longitu- dine capitis; linea rostro-frontali rostro concava fronte convexa; rostro acuto oculo duplo circiter longiore vel altiore; parte capitis praeoculari fere aeque longa ac alta; maxillis squamosis dentibus biseriatis, serie externa 8 vel 10 cuneiformibus, serie interna 2 ad 6 granulosis; apertura branchiali subverticali ante pinnam pectoralem desinente; squamis parvis sed bene conspicuis, scabris; linea laterali conspicua ante spinam dorsa- lem 1 cruciata;s pinnis radijs, anterioribus exeeptis, divisis; dorsali 1* spinis 2 anterioribus (abruptis), spinis 2 posterioribus oculo brevioribus, membrana humili; dorsali radiosa humili obtusa rotundata; pectoralibus rotundatis; anali angulata vix emarginata; spina ventrali utroque latere unica 6 in longitudine corporis; caudali biloba, lobis acutiusculis rotunda- tis 6 eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo inferne flavescente vel argenteo; pinnis omnibus flavescentibus.

Mee 13. Vol. A. 16, -C, 12,

Synon. Balistes braculeatus Bl. Ausl. Fisch. tab 148 fig. 2.

Zweistachelichte Mornfisch Bl. ibid. Baliste à deur piqguants Bl. ibid. Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 130”

Aanm. Thans zijn reeds verschillende soorten van Friacan- thus bekend. Nog slechts weinige jaren geleden bragten de ichthyologen de soorten van Frracanthus, afgebeeld bij Nievuor, Brocn en RusserL, tot eene enkele species, welke zij naar den Blochschen soortnaam Friacanthus biaculeatus noemden. In mijne Bijdrage tot de kennis der Balistini en Ostraciones van den Indischen Archipel heb ik aangetoond, dat de af- beeldingen dier dric schrijvers tot drie verschillende soorten

behooren en ik noemde daar de soort van Nieunor Zriacan- df Ri. ri

82

thus Nieuhofii en die van Russeru Zriacanthus Russelli, ter- wijl ik 2 nog geheel onbekende soorten Friacanthus rhodo- pterus en Triacanthus oxycephalus heb genoemd. De heer Cantor beschreef onlangs als eene nieuwe soort ZFriacan- thus strigilifer en de heeren TeuwineK en ScurearL Tria- canthus anomalus, zoodat thans 7 soorten van dit geslacht vrij goed bekend zijn. De bovenbeschrevene soort is onge- twijfeld dezelfde als de door Brocu als Balistes biaculeatus af- gebeelde. Hare habitus beantwoordt volkomen aan die afbeel- ding, hoezeer de eerste rugvin er niet zwart is en ook de zwarte vlek voor de buikdoornen ontbreekt. Ter voorkoming van verwarring, heb ik gemeend den soortnaam biaculeatus, welke aan verschillende der bovengenoemde soorten gegeven is, te moeten veranderen en heb daartoe gekozen den naam van den ichthyoloog, aan welke men hare eerste kennis te danken heeft.

LOPHOBRANCHII. Hippocampus kuda Blkr.

Hippocamp. corpore heptagono, altitudine maxima 64 ad 64 in totius piscis longitudine, latitudine 1% circiter in ejus altitudine; cauda tetra- gona; capite 38 in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem cau- dae; rostro longitudine capitis partem postocularem aequante, altiore quam lato, inferne cirris parcis brevibus, ante oculum tuberculo conico brevis oculis diametro 7 in longitudine capitis; orbita superne tuberculo conico

unieo non clavatojs occipite in processum obtusum quinquetuberculatum

et fimbriatum exeunte; operculis valde striatis; pyxide corporis ex an- nulis 11 formata, eristis longitudinalibus tuberculatis tuberculis elevatis non ramosis sed ex parte fimbriatis; cauda annulis 35, carinis tubercula-

tis, tuberculis carinis superioribus majoribus ex parte fimbriatis; pinnis

dorsali pectoralibusque rotundatis; colore toto corpore viridescente-fusco, pinnis viridi.

RN 1d, Pr ONE:

Synon. Jkan Kuda Mal.

Habit. Singapore, in mari.

Longitudo 2 speciminum 95” et 120”,

Aanm. Deze soort laat zich van de bekende soorten onder kennen door in een 5 knobbelig op een’ hals staand uitsteek-

' mn nh RE a and 5 Á : NE an EE ST

85

sel eindigend achterhoofd, door even langen snuit als achter- oogsgedeelte van den kop, waaijervormig gestreepte operkels, sterk knobbelachtige en hier en daar met franjes bezette lijf- kielen , groenachtig- bruine ligchaamskleur en 1Î6 stralen in de rugvin. Zij is nog het naaste verwant aan Syngnathus hippocampus Bl. (Ausl. Fisch tab. 109 fig. 3), alsmede aan Hip- pocampus comes Cant. (Mal. Fisch. p. 389 tab. fl fig. 2). Deze laatste species laat zich echter bij den eersten oogopslag van de bovenbeschrevene onderscheiden, door de knodsvormige einden der oogkas- en achterhoofdknobbels, terwijl er de kop slechts weinig langer is dan !/, van het geheele ligchaam.

SCYLLIA. Ginglymostoma Rüppell Blkr.

Ginglymost. corpore elongato antice cylindraceo postice compresso, altitudine 9 ad 10 in ejus longitudine, vix latiore quam alto; capite 7 cireiter in longitudine corporis, multo latiore quam alto; oculis diametro 8 eirciter in longitudine rostri, longioribus quam latis; foramine tempo- rali diametro oculi longitudinali 1 ab oculo remoto, vix conspicuo; rostro convexo latiore quam longo, subtruncato-rotundato, plus dimidia capi- tis longitudine efficiente; rictu maxillari semilunari, labiali vix cur- vato rostri parte praecorali minus duplo longiore; cirris nasalibus conicis labium inferiorem attingentibus; maxillis dentibus margine libero rotundato totis denticulatis, denticulo medio ceteris vix majore; spiraculis 2 posti- cis supra pinnam peetoralem sitis; cute toto corpore valde porosa, squa- maulis graniformibus postice non denticulatis; dorso non carinato; pinnis dorsalibus minus earum longitudine a se invicem distantibus, altioribus quam longis, acutis, apice rotundatis, leviter emarginatis, 2* majore, __ventralibus opposita, 2* ante analem incipiente et ante finem analis desi- gente, minus dimidio ejus longitudine ab initio caudalis remota; pinnis pectoralibus capite non vel vix brevioribus, multo longioribus quam latis, _acutis, emarginatis 3 ventralibus subquadratis paulo longioribus quam la- tis; amali altitudine dorsalem 2* aequante, caudali valde approximata, acuta, vix emarginata; caudali capite plus duplo longiore, 2% circiter in longitudine corporis, lobo posteriore subquadrato postice emarginato , lobo anteriore lobo posteriore sextuplo longiore, antice plus triplo humiliore quam basi longa, emarginata; appeadicibus genitalibus conicis sulcatis margine ventralium interno multo brevioribus; colore corpore superne pinnisque griseo-aurantiaco, inferne griseo.

Synon. Nebrius concolor Rüpp. N. W. F. Abyss. F.R. M, p. 62 tab. 17 B 2

84

Ginglymostoma concolor Cant. (nec MH.) Mal. Fisch. p. 395.

Habit. Singapore, in mari.

Longitude speciminis unicì masculini 730”

Aanm. In de „Systematische Beschreibung der Plagiostomen” zijn slechts 2 soorten van Ginglymostoma beschreven, t. w. G. concolor MH. en G. cirratum MH.

De bovenbeschrevene soort heeft zeer groote verwantschap met Ginglymostoma concolor MH. doch kan deze niet zijn, vermits hare tanden een cirkelsegment vertoonen, hetwelk aan den vrijen rand met 6-10 tanden van nagenoeg gelijke groote gewapend is en de schubben korrelachtig, niet gekield en niet gekerfd zijn. Bovendien ook zijn de snuit en staartvin bij mijn specimen betrekkelijk langer dan op de afbeelding in genoemd werk van G. concolor aangeduid is, en is de alge- meene omtrek des snuits vierhoekig. Mijn specimen beant- woordt beter aan de afbeelding en beschrijving van MNebrius concolor Rüpp. en van Ginglymostoma concolor Cant. (nec MH.), welke tot dezelfde species behooren en van Ginglymostoma concolor MH. soortelijk verschillen. Ik heb daarom gemeend, aan de Rüppellsche soort een’ nieuwen naam te moeten geven, om haar te onderscheiden van de soort, welke de heeren J. Mür- LER en Herre verkeerdelijk voor identisch met haar houden en Ginglymostoma concolor hebben genoemd. Ginglymostoma Rüppellië Blkr. is tot heden toe aangetroffen in de Roode zee in Straat Malakka en Straat Singapore.

Lever tweekwabbig, de kwabben van ongeveer gelijke lengte, de halve lengte der buikholte innemende. Eene dikwandige vrij groote galblaas is in de zelfstandigheid der regterkwab gedeeltelijk verborgen. Galbuizen zoowel in de maag «als dik- ken darm inmondende. Milt zeer lang en slank, het achterste gedeelte van de maag omringende. Pancreas veel kleiner dan de milt, langwerpig onregelmatig van gedaante. Maag cylin- dervormig, zich met het achterste gedeelte hoefijzervormig om- | „buigende. Dunne darm slechts eenige millimeters lang, maag en dikken darm als het ware slechts door een’ engen hals van een scheidende. Dikke darm korter dan de maag. Maag ge-

85

vuld met resten van Loligo en andere Gephalopoden, van Engraulis en van Atherina. Klapvlies van den dikken darm spiraalvormig met 24 windingen. Regte darm zonder klapvlies.

SQUATINORAJAE.

Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. Mlustr. Ind. Zoöl. II tab. 99. MH. Plagiost. p. 119.

Rhinob. corpore elongato depresso, latitudine supra pinnas pectorales 3 in ejus longitudine; capite acuto 4 fere in longitudine corporis; rostro acuto 54 in longitudine corporis, duplo longiore quam medio lato, pro- cessu a rostro distincto nullo, lateribus membranaceo, carina media gra- cili non spinulosa, latitudine minima 15 in ejus longitudine , non sulcata, apice clavata; oculis diametro 74 circiter in longitudine rostri, diametris 2 circiter a s3 invicem distantibus; foraminibus temporalibus oculis ap- proximatis et ijs non vel vix majoribus, margine posteriore bituberculato; naribus minus dimidia earum longitudine a se invicem distantibus, pec- tine radiis plus quam 90, valvula anteriore gracili marginem narium in- feriorem vix superante; sulco labiali superiore nullo, inferiore continuo; rictu tota fere ejus longitudine a margine rostro-pectorali remoto, recti- usculo; squamis corpore parvis conspicuis, dorso majoribus, ex parte spinula brevi armatis; linea dorsi media et regione humerali spinulis ma- joribus armatis; pinnis dorsalibus forma subaequalibus, non vel vix emar- ginatis, acutis, altioribus quam basi longis, dupla earum longitudine a se invicem distantibus, posteriore anteriore paulo altiore, vix tota ejus longitudine a caudali remota; pectoralibus latissimis rotundatis, ventrali- bus subrhomboïdeis antice obtusis rotundatis, postice acutis; caudali acu- ta, margine postero-inferiore convexa, 54 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne flavescente-fusco, inferne albescente; rostro parte membranacea subpellucida; pinnis fuscescente-viridibus.

Synon. Jndian Rhinobatus Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoölog. II tab. 99.

Rhinobatus typus Benn. Life of Raffl p. 694, lkan Kekeh Javan. Samar.

Habit. Singapore, Samarang, in mari.

Longitudo speeiminis unici feminini 504”,

TRIJGONES.

Taeniura lymma MH. Plagiost. p. 171. Cant. Mal. Fish. p. 431.

Taeniur. corpore disciformi, disco longiore quam lato, antice lateri-

86

busque rotundato, postice apicibus pinnarum pectoralium acutis; capite longitudine 3 fere, rostro 44 fere ad 44 in latitudine disci maxima; ocu- lis diametro 2 ad 22 in longitudine rostri, diametro 1 circiter a se in- vicem distantibus; foramine temporali sub oculo desinente, oeculo non vel vix breviore; rictu flexuoso; dentibus:maxillaribus acutis; fundo ca- vitatis oris bipapillato; velo postmaxillari valvulisque nasalibus anteriori- bus fimbriatis; cute toto corpore junioribus tota glabra, aetate provectio- ribus linea dorsi media spinis brevibus obsita; cauda disco longiore, radice depressa, postica parte spinis serratis armata; colore corpore super- ne fuscescente-aurantiaco maculis numerosis rotundis pulchre coeruleis; cauda superne lateribus coeruleo longitudinaliter vittata; ventre albescente vel flavescente, marginem disci versus aurantiaco. Synon. Raja lymma Forsk. Deser. anim. 17 Ne. 15 L. Gm. Syst. Nat. p. 1511. Lacèp. Poiss. I p. 119 tab. 4 fig. 2, 3. Bl. Schn. Syst. posth. p. 364. Shaw Gen. Zoöl. V, p. 287. Raie torpille Lacép. Poiss. I p. 82. Trygon lyinma Cuv. Règn. anim. Swains. II p. 319. Trigon lymma Rüpp. Atl. R. N. Afr. F.R. M.p. 51 tab. 13 fig. 1. N. Wirb. F. Ab. F. R.M. p. 69 tab. 19 fig. 4. (dentes). Trygon Halgani Less. Voyage de Duperrey, Zoöl. II p. 100 tab. Pastenaque de Halgan Less. ibid. Trygon ornatum Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoöl. I. tab. 99. Lymma Arab. Pharr Indig. Nov. Hibern. Ikan Pareh kumbang et Ikan Peh tjun Mal. Batav. Habit. Singapore, Batavia, in mari. Latitudo 3 speciminum femin. 165” ad 215%”,

Aanm. Taendura lymma MH. is niet alleen bekend van Ja- va, Celebes en Timor, maar ook van Singapore, Malakka, Pinang, de Indische- en Roode zee en Nieuw-Ierland. De soort is te Batavia niet zeldzaam en wordt tot meer dan twee voeten breed.

Seripst Batavia Calendis Decembris mpeeeur.

ned an ae 4

BIJDRAGE

TOT DE KENNIS DER

ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN BLITONG (BILLITON),

MET BESCHRIJVING VAN EENIGE NIEUWE SOORTEN VAN ZOETWATERVISSCHEN , DOOR

Dr. P. BLEEKER:

In het begin dezes jaars berigtte ik omtrent eenige Blitong- sche visschen, door den heer Dr. Croockrewir tijdens zijn ver- blijf op dit eiland verzameld. Deze vischsoorten, allen in zee gevangen, zijn 10 in getal t. w. Mesoprion Russelliù Blkr., Mesoprion annularis Blkr., Helotes serlineatus CV., Sulago acuta CV., Platycephalus insidiator Bl, Dente tambulus CV., Pentapus setosus CV., Platax bataviensis GV., Belone leiuroïdes Blkr en Synaptura pan Cant. (zie Natuurk. Tijdschr. v. Neêrl. Indie Jaarg I bladz. 478). |

Later vertrok naar Blitong mijn vriend, de heer Corns. pr Groor, ingenieur van het mijnwezen, ten einde onderzoek te doen naar de geologische gesteldheid van dit eiland, en in het bijzonder naar zijnen tinrijkdom. Ik noodigde dezen ver- dienstelijken natuurkenner uit, op Blitong te trachten, de daar levende zoetwatervisschen te verzamelen en aan de welwil- lende voldoening aan dit verzoek heeft deze bijdrage haar ont- staan te danken. Is deichthijologie van den Indischen Archipel in het algemeen zeer verwaarloosd geworden, vooral is zulks het geval ten opzigte der zoetwatervisschen en van talrijke aanzien- lijke eilanden van den Indischen Archipel is tot nog toe geene en- | kele species van zoetwatervisschen bekend geworden, niettegen-

staande deze studie voor de geographische zoölogie van meer

88

belang is, dan de studie der zeefauna, welker vertegenwoor- digers, uit den aard van de middenstof, waarin zij le- ven, aan minder beperkingen in hunne woonplaatsen onder- worpen zijn. De verzameling van den heer De Groot, hoe- zeer niet meer dan 15 soorten bevattende, ís niet onbelangrijk en bevat eenige species, welke tof nog toe op geen der ove- rige eilanden van den Soenda-Molukschen Archipel zijn aange- troffen.

De 15 boven bedoelde soorten zijn de volgende. Catopra, Grootii Blkr. nov. spec. . Nandus nebulosus Blkr. = Bedula nebulosus Gr. Hardw. Betta anabatoïdes Blkr. Ophicephalus marulioïdes Blkr. zj marginatus GV. . Mastacembelus maculatus GV. Silurus phaiosoma Bikr. . Bagrus micropogon Blkr. nov. spec. ? . Pimelodus cyanochloros Blkr. Clarias punctatus GV. Barbus lateristriga CV. ADM 7 blitonensis Blìkr. nov. spec.

eo TVD NO

DD

15. Leuciscus cephalotaenia Blkr. nov. spec. 14. Hemiramphus phatosoma Blkr. nov. spec.

Ee ©

. Luciocephalus pulcher Blkr.

Vijf dezer soorten beschouw ik als nieuw voor de weten- schap, hoezeer Zagrus micropogon nog met eenigen twijfel, daar zij mogelijk den zeer jeugdigen leeftijd voorstelt van Ba- grus poecilopterus K.v.H. van Java. Voorts komen van de bo- vengenoemde soorten tevens op de fauna van Java: Opkicep- halus marginatus CV., Mastacembelus maculatus CV., Pimelo- dus cyanochloros Bìkr., Clarias punctatus CV. en Barbus late- ristriga CV.;-—op de fauna van Borneo: Betta anabatoïdes Blkr., Ophicephalus marulioïdes Blkr., Silurus phatosoma Blkr., en Luciocephalus pulcher Blkr.; en op de fauna van Sumatra, Mastacembelus maculatus CV. en Pimelodus cyanochloros Blkr.

| |

Men mag hieruit opmaken, dat de zoetwatervischfauna van _

89 jn

Blitong, afgescheiden van de haar eigene soorten, in verwant- schap het midden houdt tusschen die van Java en Borneo.

Alle 15 bovengenoemde species zijn gevangen in heft stroom- gebied der Tjiroetjoep, in het westelijk gedeelte van het ei- land, nabij de plaatsen, waar door den heer De Groor vrij rijke tingronden zijn gevonden, met welker ontginning reeds een begin gemaakt is. In het geheel zijn mij thans de vol- gende 25 soorten van Blitong bekend.

1. Mesoprion Russellii Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 2. jn annularis Blkr. ibid.

ò. Helotes sexlineatus CV. Nat. Tijdschr. N.L Hp. 171.

4. Sillago acuta GV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd.

8. Catopra Grootii Blkr.

6. Nandus nebulosus Blkr.

7. Platycephalus insidiator Bl. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. 8. Denterx tambulus GV. ib. XXIII Sparoïd,

9. Pentapus setosus CV. Nat. Tijdschr. N. Ind. H p. 175. 40. Platax bataviensis CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetodont. M., Betta anabatoïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 269. 12. Ophicephalus marutoïdes Blkr. ib. H p. 424. drs 5 marginatus GV. Verh. Bat. Gen. XXIII Vissch.

Doolhofv. Kieuw, 14. Mastacembelus maculatus GV. 15. Silurus phaiosoma Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. IH p. 428. 16. Bagrus micropogon Blkr. 17. Pimelodus cyanochloros Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI N. Bijdr. Silur. Jav.

18. Clarias punctatus GV. ibid. Siluroïd. batav. conspecte 19. Barbus lateristriga CV. Ne blitonensis Blkr. 21. Leuciscus cephalotaenia Blkr. 22. Belone leiuroïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind, I p. 479. 25. Hemiramphus phaiosoma Blkr.

24. Luciocephalus pulcher Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 273. 16. Synaptura pan Cant. Verh. Bat. Gen. XXIII Snoek. Vissch.

DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAEs

NANDOÏDEI.

Catopra Grootii Blkr.

Catopr. corpore oblongo compresso, altitudine 2% fere in ejus longitu- dine, latitudine 24 in ejus altitudine, capite obtuso convexo 32 circiter in longitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 4 in lon- gitudine capitis; linea rostro-dorsali ante oculos convexa, supra oculos leviter concava; rostro convexo longitudine oculum aequante; maxillis aequalibus, superiore protractili sub oculi parte anteriore desinente; den- tibus maxillis pluriseriatis parvis, antice serie externa majoribus conicis, vomere parvis in thurmam oblongam transversam antice in palato collo= catis; dentibus palatinis parvis utroque latere in vittam gracilem obli- quam dispositis; dentibus pterygoïdeis granulosis in Jaminam oblongam ovalem, lingualibus granulosis in laminam magnam lageniformem collo- catis; denticulis suborbitalibus vix conspicuis; praeoperculo subrectan- gulo, angulo rotundato leviter tantum denticulato; interoperculo edentulo ; squamis ectenoïdeis ciliis minimis pluriseriatis, parte basali flabelliforme striatis, lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, 15 p. m. in serie ver- ticali; linea laterali singulis squamis tubulo simplice notata, sub pinnae dorsalis radiosae parte posteriore interrupta et infra sub parte ejus ante- riore reïncipiente ; pinnis basi squamosis, dorsali et anali radiosis rotun- datis caudalem attingentibus, dorsali spinosa spinis mediis ceterislon- gioribue, parte radiosa humiliore; anali spina media ceteris longiore; peetoralibus obtusis ventralibus acutis vix longioribus, 4# in longitudine corporis; caudali rotundata 43 in longitudine corporis; colore corpore pinnisque olivaceo-viridi,

B. 6. D. 13/16 vel 18/17. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14

et lat. brev.

Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup.

Longitudo speciminis unici 184”.

_ Aanm. Deze soort is de derde Catopra, mij van den Indi- schen Archipel bekend geworden. Java bezit Catopra nandoï- des, Borneo Catopra fasciata. Deze drie soorten hebben

91

groote verwantschap met elkander, doch laten zich door vol- gende kenmerken gemakkelijk van elkander onderscheiden. Catopra fasciata Blkr. 12 zwartachtige dwarsche banden over het ligchaam. D. 18/16 of 13/17. P. 2/14. Catopra nandoïdes Blkr. Ligchaam zonder banden. D. 14/16 of 14/17. P. 2/14. Snuit niet bol. Catopra Grootiü Blkr. Ligchaam zonder banden. D. 13/16 of 13/17. P. 2/12. Snuit bol. Ik noem de bovenbeschrevene nieuwe soort naar den heer Corns. pr Groor, aan wien de wetenschap de eerste kennis der zoetwaterfauna van Blitong te danken heeft.

Nanpus CV.

Pinna dorsalis unica. Dentes maxillares, palatini, vomerini et linguales setacei, pterygoïdei granulosi in thurmam graci- lem collocati. Os suborbitale non denticulatum. Praeoper- culum denticulatum. Operculum spina unica. Membrana bran- chiostega radiis 6. Linea lateralis interrupta. Maxilla superior protractilis.

Nandus is zeer na verwant aan Catopra (zie Nat. Tijdschr. Ned. Indië Jaarg. II), doch verschilt er van, doordien er de tongtanden zeer dun zijn en op eene smalle plaat verce- nigd, wat ook met de vleugelbeenstanden het geval is. Voorts heeft Nandus de onderoogkuilsbeenderen ongetand en het operkel slechts met een’ enkelen doorn gewapend. Catopra en Nandus zijn geslachten, welke in verwantschap bet midden houden tusschen de Chromides en de Percoïden en welligt te brengen zijn tot eene eigene familie. Het niet volkomen veree- nigd zijn der onderste keelgatsbeenderen sluit ze van de Labroïden uit, waarmede overigens hunne inwendige organisatie ze ver- want doet zijn. Zij schijnen voor de zoete wateren van Zuid- Azië en den Indischen Archipel te wezen, wat de Chromides zijn voor de zoete wateren van Zuid-Amerika. Waarschijnlijk zullen latere nasporingen nog meerdere soorten van Nandus en Catopra in de zoete wateren dezer gewesten doen kennen.

Nandus nebulosus Blkr.

Nand. ecorpore oblongo compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 83% in longitudine corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 84 eirciter in longi- tudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; maxilla superiore valde protractili alepidota, ore clauso maxilla inferiore paulo breviore, sub oculi parte posteriore desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis, palatinis, pterygoïdes et lingualibus in vittas graciles dispositis; osse sub- orbitali humillima; praeoperculo rotundato, margine posteriore leviter emarginato dentieulis vix conspicuiss interoperculo leviter denticulato; spina operculari plana acuta; squamis ciliatis, lateribus 30 p. m. in serie longitudinalis linea laterali simplice sub pinnae dorsalis radiosae parte posteriore interrupta; pinna dorsali profunde emarginata, parte spinosa parte radiosa humiliore, spinis 3*, 4* et spinis ceteris longioribus, parte radiosa rotundata; pinnis pectoralibus rotundatis et ventralibus acutiusculis 53 circiter in longitudine corporis; anali spina spinis 1* et 3* longiore, parte radiosa rotundata, caudali convexa 54 circiter in longit udine corpo ris; colore corpore superne fusco, lateribus inferneque aurantiaco-rufo diffuse transversim fusco fasciato; pinnis dorsali spinosa fusca, pectorali- bus olivaceis, ceteris aurantiacis fusco maculatis et variegatis.

B. 6. D. 14/11 vel 14/12. P. 1/15. V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 14

et lat. brev.

Synon. Bedula nebulosus Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoöl. II Pisc. tab. 1

fig. 2? Habit. Blitong, in fumine Tjirutjup. Longitudo speciminis unici 111”,

Aanm. Deze soort verschilt van Nandus marmoratus GV. door sterken operkeldoorn, onder het oog eindigende boven- kaak, aanmerkelijk grootere borst- en buikvinnen, veel min- der schubben op eene overlangsche rei, ongeschubte boven- kaak enz. In habitus en kleurteekening heeft zij zeer groote overeenkomst met Bedula nebulosus van de Illustrations of Indian Zoölogy, met welke species ik geneigd ben haar voor identisch te houden. Is zulks het geval, dan is de aange- haalde afbeelding in meerdere opzigten onjuist, vertoonende zij het oog te klein, de onderkaak te ver voor de boven- kaak uitstekende, de bovenkaak te ver achterwaarts rei- kende , het praeoperkel ongetand, den operkeldoorn in het geheel niet, enz. Bovendien tel ik op die afbeelding slechts

95

13 rugvindoornen , wat zijne reden kan hebben in seene indi- viduöle verscheidenheid. De heer Cantor (Malaijan Fishes p. 17) brengt Bedula nebulosus Gr. Hardw. tot Nandus marmo- ratus GV. even als Bedula Hamilton Gray (Illustr. Ind. zoöl. II Pisc. tab. 1 fig. 3). Ten opzigte van laatstgenoemde species stem ik den heer Cantor bij, maar Gray heeft mijns inziens zeer te regt beide afbeeldingen beschouwd als tot verschillende soorten te behooren.

NOTAGANTEINL.

Mastacembelus maculatus GV. Poiss. vir p. 840. Rèen. an. éd. d. luxe tab. 55 fig. À.

Mastac. corpore elongato compresso, altitudine 10 circiter in ejus longi- tudine; capite 7 circiter in longitudine corporis; rostro 24 ad 22 in lon- gitudine capitis, apice tentaculis 2 trilobo, parte producta rictum longi- tudine aequante ; praeoperculo dentibus vel spinis nullis; linea laterali cauda inconspicua; squamis parvis, totis striatis, cycloïdeis, lateribus 180 p. m. in serie longitudinalis; pinnis verticalibus unitis; appendice anali conica longa; caudali vix distincta rotundata; dorsali post apicem pinnae pectoralis incipiente, parte spinosa longitudine partem radiosam aequante, spina postice spinis ceteris multo majore; anali spina 2% valida magna, parte radiosa paulo ante pinnam dorsalem radiosam incipiente; pectorali- bus rotundatis; colore corpore superne viridescente-fusco, inferne virides- cente-flavo; lateribus fusco. nebulatis; pinnis verticalibus flavo marginatis, dorsali viridi et fusco variegata, basi maculis nigricantibus; anali nigricantc- fusca.

Beb. 26-60, ad, 30-70..P. 22 vel 23. A. 59 ad 69,,C..16 p. ms

Synon. Rhynchobdella maculata Reinw.

Mastacemble tacheté CV. Poiss. VIII p. 340. Mastacemble maculé CV. Règn. anim. éd. de luxe tab. 55 fig. 1, Jkan Arehlot Sundanens.

Habit. Blitong, Java, Sumatra, in fluviis.

Longitudo 16 speciminum 125” ad 280”.

Varietas: chrysogaster , ventre immaculato. Habit. Java (Buitenzorg, Tjis

pannas), Sumatra (Pajacombo , Solok). dictyogaster , ventre fusco reticulato. Hab. Blitong.

Aanm. In mijne Bijdrage tot de kennis der Notacanthint van den Soenda-Molakschen Archipel (Verh. v. h. Bat. Gen.

94

v. K. en W. vol. XXIII), heb ik de diagnose dezer soort ge- geven, volgens hare in de groote Histoire des Poissons voor- komende beschrijving. Sedert ben ik in het bezit gekomen van een aantal exemplaren van Java, Sumatra en Blitong, waardoor ik in staat gesteld ben, hare kenmerken naauwkeu- riger op te geven. Deze soort is vooral merkwaardig door haar ongewapend praeoperkel, en zou daardoor zelfs uit het geslacht Mastacembelus behooren weg te vallen, indien de praeoperkeldoornen, door Cuvier VALENCIENNES als generisch karakter beschouwd, zulks inderdaad waren, wat ik echter niet kan aannemen, omdat Mastacembelus maculatus overigens in de wezenlijke kenmerken met de andere soorten van Mas- tacembelus overeenkomt.

SILUROÏDEL.

Bagrus micropogon Blkr.

Bagr. corpore elongato compresso, altitudine 8 circiter in ejus longitu- dine; capite acuto 44 circiter in longitudine corporis, duplo longiore quam alto sed minus duplo longiore quam lato; dorso humilis linea ros- tro-dorsali declivi reetiuscula, vertice tantum convexiuscula; oculis dia- metro 6 eirciter in longitudine capitis; rostro oculo duplo longiore, ante os prominente; scuto capitis cristaque interparietali glabris; crista inter- parietali trigona aeque longa ac basi lata, tota conspicua, os interspino- sum glabrum non attingente; cirris 8 gracilibus, nasalibus oculum attin- gentibus, labialibus oculum superantibus, inframaxillaribus aperturam branchialem non attingentibus; labiis carnosis; maxilla superiore inferiore longiore; dentibus maxillis setaceis pluriseriatis, vomero-palatinis plurise- riatis in vittam semilunarem simplicem dispositis; osse scapulari vix ru- goso acuto; pinna dorsali spina corpore paulo altiore postice dentata;

dorsali adiposa tota ejus longitudine a dorsali radiosa remota, anali op-

posita eamque postice superante, oblonga, rotundata; pinnis pectoralibus acutis capite multo brevioribus, spina crassa postice valde dentata; ven- tralibus capite duplo brevioribus; anali rotundata corpore non humiliore; caudali valde excisa lobis acutissimis aequalibus 5 in longitudine corpo- ris; colore corpore fuscescente fusco profundiore nebulato;s; pinnis rufis nigro late fasciatis. B. 10. D. 1/7. P. 1/8. V. 1/5. A. 4/12 vel 5/1le CG 17 et lat, breve Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. Longitudo speciminis unici 79”,

nn nd ea

95

Aanm. Deze species behoort tot die soorten van Bagrus met 8 cirri en onafgebrokene rei ploegbeen-gehemeltetanden, bij welke de vetvin ongeveer dezelfde lengte heeft als de aars- vin en de achterhoofdskam niet tot aan het tusschendoorns- been reikt. Zij staat in verwantschap zeer nabij Bagrus poeci- lopterus K.v.H. van Java en heeft daarvan de dunne korte voeldradeny vooruitstekenden snuit en algemeene kleurteekening. Bagrus poecilopterus K. v. H. bevindt zich tot nog toe niet in mijne verzameling, doch ik bezit er eene fraaije afbeelding van, af- komstig uit de teekeningen der voormalige Natuurkundige Kommissie. Deze afbeelding wijkt in zooverre van de be- schrijving van Cuvier VALENCIENNES af‚ dat de rugdoorn er duidelijk getand is, de rugvin er 7. en de borstvin 8 stralen vertoont, even als bij bovenbeschrevene soort. Vergelijk ik echter mijn specimen met die afbeelding, dan blijkt het, dat het veel ranker van kop en ligchaam is, grootere oogen en zeer spits uitloopende staartvinkwabben heeft, minder regel- matig gekleurd is, en de lipdraden er tot achter het oog rei- ken. Ik houd mijn specimen daarom voor eene eigene soort, tot dat nadere waarnemingen kunnen doen blijken, dat deze verschillen slechts toe te schrijven zijn aan den leeftijd be- dragende de lengte van mijn specimen nog niet de helft van die der bedoelde afbeelding. |

CIJPRINOÏDEL

Barbus lateristriga GV. Poiss. xv: p. 120.

Barb. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 34 in ejus longitu- dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite 5 et paulo in longitu- dine corporis; altitudine capitis 1% ad 1% in ejus longitudine; oculis dia- metro 3 in longitudine capitis, diametro l a se invicem distantibus; rostro convexo oculo breviore; maxilla superiore inferiore vix longiore, vertica- liter deorsum protractili, ante oculum desinente; ore antico; cirris maxil- laribus labialibus brevioribus, maxillaribus oculi marginem anteriorem, labialibus praeoperculi partem posteriorem attingentibus; dentibus pharyn- gealibus triseriatis conicis, serie externa 4 uncinatis et subuncinatis; osse scapulari trigono obtuso rotundato; linea frontali declivi rectiuscula;

96

dorso elevato ventre convexiore, linea dorsali vix angulata antice valde convexaj linea ventrali rotundata; linea lateralí infra lineam rostro=cau- dalem descendente, concava; squamis radiatim striatis, lateribus 24 p. m. in serie longitudinali, 8 vel 9 in serie verticali; inguinibus squamis elon-

gatis; pinna dorsali acutiuscula non emarginata, corpore minus duplo.

humiliore, spina denticulata capite breviore ventralibus opposita; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis longitudine aequalibus capite brevioribus, pectoralibus ventrales non attingentibus; analí acutiuscula non emarginata, corpore plus duplo humiliore; ecaudali profunde incisa lobis acutis 44 cir- citer in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo-viridi, late- ribus infermeque flavescente-argenteo; dorso lateribusque fasciis 2 trans- versis violaceo-nigricantibus, fascia anteriore dorso-pectorali, fascia pos- teriore dorso-ventrali; cauda fascia longitudinali violaceo-nigricante; pinnís flavescente-roseis, dorsali analigue marginem versus violascentibus. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/13. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C, 19 et lat. brev. Synon. Barbeau au trait latéral CV. Poiss. XVI p. 120. Ikan Dokkum Sundan. Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. Tjampea, Buitenzorg, Javae insulae, in flumine Tjidani. Longitudo 3 speciminum 80’” ad 95”.

Aanm. Ik vond deze soort in 1850 , tijdens een verblijf te Tjampea en ontving haar in 1851 van den heer TeismanN van „Buitenzorg. Volgens de waarnemingen van Kuur en Van Has- seLT komt zij ook te Sading wetan voor. De heer VALENCIEN- NES heeft deze plaats van voorkomen verkeerdelijk gehouden voor den inlandschen naam der soort. Het Blitongsche specimen is 87” lang en behoort tot eene varieteit met eene ronde vio- let-zwarte vlek boven het begin van de basis der aarsvin. Bij dit specimen gaat ook de tweede dwarsband tot aan den anus en vereenigt zich daar met dien der tegenovergestelde zijde.

Barbus blitonensis Blkr.

Barb. corpore oblongo compresso, altitudine 82 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 22% circiter in ecjus altitudine; capite 5 in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejuslongitudine ; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis, diametro 1 a se invicem distantibus; rostro convexo oculo breviore; maxilla superiore inferiore vix longiore, ver- ticaliter deorsum protractili, ante oeulum desinente; ore antico; cirris maxil- laribus cirris labialibus brevioribus, maxillaribus pupillam, labialibus oper”

aad

97

culum attingentibus; dentibus pharyngealibus triseriatis conicis, serie ex= terna 4 vel 5 subuncinatis; osse scapulari trigono, obtuso, rotundato; linea frontali -declivi convexiuscula;s dorso elevato ventre convexiore; linea dor- sali angulata, antice vix convexa; linea ventrali rotundata; linea laterali infra limeam rostro-caudalem descendente, concava; squamis radiatim stri- atis, lateribus 24 p. m. in serie longitudinali, 8 vel 9 in serie verticalis; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali acutiuscula, non emarginata, corpore minus duplo humiliore, spina denticulata capite breviore ventra- libus opposita; pinnis pectoralibus acutis ventralibus acutis paulo longic- „ribus, capite brevioribus, ventrales non attingentibus; anali apice rectan- gula non emarginata, corpore triplo fere humiliore; caudali profunde emarginata lobis acutis, aequalibus, 44 circiter in longitudine corporis; eolore corpore superne aureo-viridi, inferne viridescente-argenteo; dorso macula diffusa violaceo-nigra ad basin pinnae dorsalis; cirris labialibus nigricantibus; pinnis rubris, anali fusco marginata.

Benen Dr 4/8 vel 4/9. P. 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat.

brev.

Habit. Blitong, in flumine Djirutjup-

Longitudo speciminis unici 117”,

Aan. Deze species heeft. groote verwantschap met Barbus lateristriga CV. doch onderscheidt er zich van, behalve door het gemis der dwarsche en overlangsche violet-zwarte banden, door ranker ligchaam, langere voeldraden, minder stompen snuit, minder bollen rug, één straal meer in de borstvin enz. Zij moet ook na verwant zijn aan Barbus roseipinnis GV. van Pondicherij, doch deze mist de violet-zwarte rugvlek en is overigens in de groote Histoire naturelle des Poissons te onnaauw- keurig beschreven, om over de identiteit te kunnen oordeelen, eene identiteit welke, de woonptaatsen in aanmerking genomen, niet te verwachten is.

Leuciscus cephalotaenia Bkr.

Leueise. eorpore elongato eompresso, altitudine 5 ad 54in ejus lÉhgitu- dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 circiter in Tongitudine corporis; altitudine capitis 12 ad 12 in ejus longitudine; ocu- lis diametro 3 ad 34 in longitudine capitis, diametro 1 et paulo a se in- vieem distantibus; rostro acuto oculo non vel vix longiore; maxilla su- periore maxilla inferiore vix breviore, paulo protractili, ante oculum desinen- te; maxilla inferiore valde adseendente, symphysi uucinata; dentibus pharyn- gealibus triseriatis, serie externa 5 ecurvatis subuncinatiss osse scapular!

HI. 8

Dim,

98

trigono apice rotundato; linea rostro-dorsalí capite deeclivi recta, dorso convexa; dorso ventre non vel vix convexiore; ventre obtuso non cari- nato; linea laterali valde concava, lineae ventrali valde approximata et parallela, basin pinnae caudalis attingentes squamis parte libera et basali radiatim vel longitudinaliter striatis, lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. in serie verticali; pinna dorsali pinnas ventrales in- ter et analem sita, acuta, non emarginata, corpore vix humiliore; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, pectoralibus ventralibus longioribus sed ventrales non attingentibus, ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, vix emarginata, dorsali vix longiore et humiliore; caudali pro- funde emarginata, lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne dilutiore; capite fascia rostro-operculari coerulea; lateribus guttis profunde coeruleis in series 2 vel S longitudinales dispositis; pinnis viridescentibus, caudali medio vitta longitudinali coerulea.

B. 3. D. 2/7 vel 2/8. P. 1/14 vel 1/15. V.1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19

ef Tat. brev, Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. Longitudo 8 speciminum 85” ad 103”.

Aanm. De Indische Archipel bezit vrij talrijke soorten Leu- ciscus met lang slank ligchaam , spitsen kop, zeer korte aars- vin en gehaakte onderkaak , de rugvin geplaatst tusschen buik- vinnen en aarsvin, en met groote schubben „—zooals Leuciscus cganotaenia Blkr., Leuciscus kalochroma Blkr., Leuciscus du- sonensis Blkr., ZLewciscus Einthoven Blkr., en andere nog onbeschrevene species, welke in mijne groote verhandeling o- ver de Cyprinoïden van den Indischen Archipel gepubliceerd zullen worden. Van alle die soorten laat zich de bovenstaan- de bij den eersten oogopslag onderkennen door den donker- blaauwen snuitoperkelband en door de reijen blaauwe vlekken _ langs de zijden. Bij Leuciscus daniconius (Cyprinus danicont- us H. Buch.), gaat ook de kopband tot aan den snuit, maar deze soort is korter van ligchaam dan Zeuciscus cephalotaenta, mist de reijen zijvlekken en zou (wat ik echter betwijfel} de zijlijn regt over het midden der zijden hebben. Nog groo- ter schijnt de verwantschap te zijn van Leuciscus cephalotaenia „met Cyprinus anjona H. Buch. van Bengalen, welke lang- werpiger is dan Leuciscus daniconius, twee reijen zwarte zij- vlekjes heeft, dach den snuit stomp, de oogen hoog en he

93

profiel van den rug sterk naar den nek dalende, terwijl er van geen snuitoperkelband gesproken wordt.

LUCIOCEPHALOIDEL

Luciocephalus pulcher Blkr.

Ik beschreef deze soort reeds in mijne Bijdragen tot de ken- nis der Ichthijologische fauna van Borneo, De heer Corns. Dr Groor verzamelde op Blitong 4 exemplaren van 75” tot 180°” lengte en de grootste alzoo 60” langer dan het grootste mij- ner Borneosche specimina en dan de afbeelding in de Illustrati- ons of Indian Zoölogij. Deze uiterst merkwaardige soort, wel ke aan het hoofd eener afzonderlijke familie behoort te staan, waarvan zij tot nog toe de eenige bekende representante is, on-. dergaat met toenemenden leeftijd aanmerkelijke wijzigingen in hare kleuren , zoodat de donkerbruine kaakstaartband ligter wordt en zich over het geheele ligchaam en de vinnen zwartachtige ron- de vlekjes vertoonen. Bij de anatomische aanteekeningen, vroe- ger medegedeeld, kan ik nog voegen, dat er geene zwemblaas aanwezig is. In de maag van een der grootste specimina vond ik een twintigtal zeer jonge vischjes, met den dojerzak nog ver buiten de buikholte uitpuilende, in welke ik Leuciscus cephalotaenia meen te herkennen.

ESOGES.

Hemiramphus phaiosoma Blkr.

Hemiramph. corpore elongato compresso, altitudine 9 et paulo in ejus longitudine; dorso rectiusculo; ventre prominente; capite 834 circiter, ros- tro 54 circiter in longitudine corporis; maxilla superiore longiore quam lata lanceolata; dentibus maxillaribus minimis aequalibus; oculis diametro 12 circiter in capitis parte postoculari, diametro 1 a se invicem distanti- bus; membrana submaxillari humili; squamis lateribus 70 ad 80 in serie longitudinali; pinna dorsali anali plus duplo longiore, radio 19 longe ante analem inserto; pectoralibus acutis capitis parte postoculari ct ventralibus multo longioribus; ventralibus antice in 41 sexta corporis parte sitis radio postico ceteris non longiore; anali dorsali humiliore

k

100

radijs tumefactis; caudali integra, convexa, 64 circiter in longitudine totius corporis; colore toto corpore pinnisque fusco.

B. ? D. 1/20,*P. 1/9? V. 1/5. A. 1/8? C. 16 et lat. brev.

Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup.

Longitudo speciminis unici 52”,

Aanm. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk van alle be- kende onderscheiden door haar bruin ligchaam, korte onder- kaak , lange rugvin, bolle staartvin en kleine schubben. Het eenige specimen, naar hetwelk bovenstaande beschrijving geno- men ís, heeft mij niet duidelijk genoeg het aantal kieuw- , borst- vin-en aarsvinstralen laten herkennen.

Scripst Batavia Calendis Decembris mpeeeu.

GEOGNOSTISCH UITSTAPJE

NAAR DE ZUIDKUST VAN GERAM.

DOOR

dl C. FE. A. SCHNEIDER.

Door de welwillende ondersteuning van den gouverneur der Moluksche eilanden in de gelegenheid gesteld zijnde, een geo- guostisch uitstapje naar een gedeelte van Ceram'’s zuidkust, ge- naamd Batoe tambaga, te doen, wil ík, nopens het resultaat van dit reisje, het navolgende kort mededeelen.

Ceram vormt aan zijne westzijde een schiereiland, dat zich van het n.n.o. naar het z. z. w. uitstrekt, en doorsneden wordt van eene in dezelfde rigting loopende bergketen, welke als een zijdelijke tak van de grootere bergketen van Ceram’s centraal-gebergte moet beschouwd worden. Een andere en kleinere tak loopt in z. z. o. rigting naar het strand en stelt aldus, met den bovengenoemden tak eenen driehoekigen berg ketel daar, welke zich als laag land (Niederung), met eene uitgestrektheid van ongeveer Σ H m. voordoet, en van eenige kleine rivieren doorsneden is. In deze uitgestrektheid liggen de negorijen Iha, Loehoe, Lahat, Kahila, Hoelang en Lokki.

102

Tot beter overzigt zal ik het zoo even beschreven gedeelte van Geram’s kust, bepaaldelijk tot onderwerp mijner naspo- ringen gediend hebbende, verdeelen in drie distrikten, te weten.

1. Het distrikt van af Iha tot Loehoe.

2. Het distrikt van af Loehoe tot halfweg tusschen Kahila en Hoelang, of het gedeelte van het laag land, en

3. van daar af tot Batoe mas bij Lokki, welke uitge- strektheid gewoonlijk Batoe tambaga genaamd wordf.

1. Het eerste dezer distrikten is van wege de geringe mid- delen, welke ter mijner beschikking stonden, slechts opper- vlakkig kunnen worden onderzocht. Het doet zich voor als een afgebroken bergwand, welks bovenste gedeelte uit met berggruis vermengde kleiaarde bestaat, terwijl aan het onder- ste gedeelte de kleiaarde, in lei overgaande, tot aan zee to bestaat uit lagen blaauwe ijijzerleiaarde en aluin of brandlei van afwisselende gedaante.

In de nabijheid van Loehoe zijn eenige kleine rivieren, in welke zich meer of minder groote steenen bevinden, uit kwarts, brekciënkalk , ijzerkwarts, lei, leiporphier , graauwakke, stukken aluinlei, en pechsteen bestaande. Dezelfde steenen _ vindt men met kwartskiezel aan het strand. Het water is hel- der en zuiver van smaak. | |

Aan het oosteinde van de negorij Loehoe begint het tweede distrikt. Het strand is hier laag, begroeid met mangi-mangi boomen (Rhizophoren). De zeegrondis vast en bestaat grooten- deels, even als het sfrandgesteente , uit glimmende brandlei en _ kolenletten. Van het strand naar het binnenland toe wordt de grond meer of min moerassig en is begroeid met sagobosschen , eenige klapperboomen en moerasstruiken , bewoond door moe- rasvogels, terwijl in de rivieren van dit gedeelte zich kroko- dillen ophouden.

Aan de oevers van een dezer rivieren, welkeik een eind wegs opging, bestond het land uit kleiaarde met berggruis, stukken van kwarts en brandlei, terwijl ook de bodem der rivier

105

meest uit kleine stukken dezer lei, met stukken van hout tinsteen en zand zamengesteld was. In dit gedeelte zijn den- kelijk de kolenlagen het naast aan de aardoppervlakte; mis- schien liggen zij zelfs nader aan den oorsprong der rivier, waar deze meer kracht heeft om de hoogere stukken weg te spoelen geheel bloot.

Nadat deze streek laag land verscheidene hoeken heeft ge- vormd, wordt het strand hooger en er vertoonen zich weder de muurachtige afsnijdingen. Het bovenste gedeelte van dezen muur is kleiaarde met losse steenen, onder welke weder ho- rizontale lagen van ijzerlei, ijzerklei, aluinlei, brandlei houdend kornisch tin afwisselen. De ijzerleiaarde is rijk aan zwavel- zuur ijzer, zwavelijzer en aluin.

Bij dit eerste gedeelte, waármede het derde distrikt eenen aanvang neemt, liggen twee kleine eilanden, welke afgespoeld van de vaste kust en van dezelfde formatie zijn, schijnbaar daarstellende den romp van een schip met eene kleine sloep op sleeptouw en daarom Batoe kapal genaamd. Hierachter begint het tweede gedeelte van het derde distrikt en valt de voet van de eenen bergketel vormende bergketen als eene steile afhelling in zee, waardoor het gezigt op deze plaats zeer belemmerd wordt; de bovenste laag echter bestaat, even als de bovenste laag der genoemde muren, uit kleiaarde, of lie- ver berggruis. De losse steenen zijn stukken van kwarts, glim- mende brandlei, zuivere klompen zwavelkies, deels verweerd en dus met kristallen van zwavelzuur ijzer vermengd, gedeeltelijk als kristallen uit het gesmolten metaal afgezet en vermengd met zwa- vellood. Ik vermeen, dat deze laag zwavelijzer een nest vormt in de steenkolenbedding analoog aan de Waldenburger beddingen. Ook vindt men er stukken van leisteen en graauwakke. Het strand is bedekt met kiezel. Hier staat het huis van ee- nen Arabier, een hadji, welke vergunning heeft gekregen, daar ter plaatse goud te zoeken. Het huis, ongeveer 10 schreden van het strand verwijderd, was gesloten; in de voorgaanderij echter zag men eenige kisten met verweerd zwa- velijzer. Voor dit huis was een tweede , waar zich de mijn

104

bevond, waaruit deze Arabier het zwavelijzer groef. Deze mijn was, naar opgave van: den orang toewah, welke mij vergezelde, 5 vademen diep en had van boven. eene bemetselde opening van omtrent 4 D voet; zij. was met naar ijzer sma- kend water opgevuld. De naast deze mijn liggende uitge- worpen grond bestond uit kies, ijzerlei en plastische thoon ; buiten haar had men nog eene put gegraven, waarvan het water ook een’ iijjzersmaak had, terwijl in den omtrek van het huis randjoes geplaatst waren.

Dit tweede gedeelte is van eene geringe uitgestrektheid , en achter hetzelve begint het derde of laatste gedeelte, alwaar de muurachtige, bij 100 voeten hooge bergafsnijdingen zich her- halen ; ook hier was de volgorde der lagen als vroeger-en de stapeling horizontaal. Digt bij zee wordt het leigesteente vas- ter en in dit laatste lagen groote blokken leiporphier, ver- mengd met kristallen van kwarts, ijzerkwarts en de reeds vroeger genoemde metalen; dit gesteente wordt batoe mas, ook batoe tambaga genaamd, en de geheele landstreek is hierhaar genoemd.

Zeer wenschelijk is een nader onderzoek naar steenkolen, aangezien de brandlei toch gewoonlijk het dak uitmaakt der steenkolen, welke hier in het vlakke gedeelte zouden moeten opgespoord worden.

Rivier van Hila.

tTerugkeerende van Loehoe, maakte ik een tweede uitstapje van Hila langs de rivier, welke zich in de nabijheid van het fort met vele krommingen in noordwestelijke rigting in zee stort en met. regt een bergstroom genoemd mag worden,

uithoofde harer groote en plotselinge opzwellingen, waardoor _

reusachtige rolsteenen, die in sterke tegenstelling met de anders

ondiepe rivier zijn, medegevoerd worden. De ‘monding is wijd en sedert eenige jaren zeer vergroot, terwijl de werkelijke

mond iets verlegd is. | Terwijl het land aan de kust van Ceram door langzame

105

bezinking ontstaan is, vertoont zich de omtrek dezer rivier integendeel plutonisch. In den mond dezer rivier en aan het strand bestond het gesteente uit porphier en trachiet. De groote stukken waren door tras verbonden. De oevers der rivier worden aan den mond gevormd door afgebrokene- bergzijden van geringe hoogte, welke naar boven met steile bergafhellingen en naar hooge muren gelijkende bergafsnij- dingen, welker bovenste laag uit kleiaarde met berggruis be- staat, afwisselen. Onder deze Ïagen bevinden zich nu eens kalk- en dan weder leiformaties. De kalk vertoont zich als te zamen gehoopt kalkzand, mergel, druip- , en tufsteen, hier en daar eene grot vormende. De lei kwam altijd beneden het kleiachtige berggruis voor en zij maakt de gewone onderlaag van de door de rivier doorsnedene bergen uit. Daar waar de kleiaarde tot aan de rivierbedding nadert, was zij door ijzer rood gekleurd, meer of minder hard, met eene bijzonder groote hoeveelheid kristallen van metalen vermengd. Slechts op eene plaats heeft zij het voorkomen van zuiver iijzeroker. De lei was meer of min door de werkiag van het vuur veranderd, Jeiporphierachtig. Verder vond men blaauwe ijzerleiaarde , lei- steen, welke nu en dan met groote hoeveelheden van kwarts doordrongen was (leiporphier), in zijne spleten en in de massa zelve tinsteen bevattende, welke met kristallen. van eene als goud schitterende, purpere of zilverwitte kleur een prachtig aanzien aan dit gesteente gaf. Op de spleten der steenen zijn deze kristallen van 1 tot 2 strepen dik. Verweerd en met veel ijzer verbonden, doortrekt de tinsteen verder in _dikkereaderen het overige leigesteente. De afhelling dezer aderen van erts was onder eenen hoek van omtrent 35 à 45 graden. Waar de lei meer met kwarts vermengd was, vertoonde zich op de breuk bismuthoker als een geel beslag en wel voornamelijk op tensvormige schubkristallen. Er kwamen ook groote stukken van roodijzerkwarts en zwarte amphibole voor. De door de rivier medegevoerde rolsteenen zijn aanvankelijk minder groot, maar worden naar boven toe reusachtig en het is vreemd, op welke “Wijze eene zoo ondiepe rivier zulke groote steenen heeft kun-

k

nen medevoeren; de meesten waren rond, enkelen waren ba- zaltpilaren van Î0 tot f5 voeten lengte en 2àá voeten diame- ter. Dit gesteente behoorde grootendeels tot de leiformatie en was porphier- en trachietachtig. De kleinere leirolsteenen, in den mond van derivier waren rijk bezet met bovengenoemde kris- tallen en geheel en al van dit metaal doordrongen; naar boven toe worden zij grooter en bevatten meer kwarts. Men vindt er stukken leisteen, graauwakke, kwarts en roodijzerkwarts, waar- op zich eene menigte kleine rooskleurige kristallen bevindt. Tegenover deze met kwarts doormengde lei liggen aan de oe- vers eenige stukken bolus.

Hoe meer ik den oorsprong der rivier naderde, des te _ reusachtiger werden de amphibolische steenen, welke uit _ porphier- en trachietachtigen pechsteen bestonden, waarvan de kleinere stukken door een onzuiver en geel tras tot rolsteenen verbonden zijn, hebbende het tras zelf een zwa- velachtig voorkomen. Deze zwarte amphibole was nueens meer porphier-, en dan weder meer trachietachtig, lava herin- nerende; enkele stukken geleken op hoornblende, andere klei- neren op obsidiaan. Ook dit gesteente was met tinsteen door- drongen. |

De rivier is in den regel niet meer dan een halve el diep, maar rijst tot 4 en meer voeten, vooral op die plaatsen , waar door het reusachtige puimgesteente , natuurlijke sluizen en watervallen gevormd worden. De stroom is sterk en het water heeft eene blaauwgrijze kleur, is melkachtig, doch zuiver van smaak. In zijnen loop neemt deze rivier slechts eenige kleine kreken op, welke nu eens eenen waterval over hare rotsachtige wanden vormen, dan weder steil over rol- steenen zich daarin uitstorten; slechts eene enkele is van meer aanmerkelijke grootte. 5 _ Het ware wenschelijk et anelek de rivier tot aan haren oor- sprong op te gaan, en wel des te meer, daar mij door eenige in-_ _ boorlingen werd kenbaar gemaakt dat er boven eene solfatara be- staat. Volgens beschrijving van den heer Roorpa van Eisinca eene uitbarsting aldaar plaats gehad hebbende, is misschien deze sol-

106

107

fatara daardoor gevormd. Het was mij echter onmogelijk den ouden krater dien dag te bezoeken, aangezien deze te ver ge- vorderd was en ook de medegenomene gidsen verzekerden, dat de oorsprong der rivier voor den avond niet te bereiken zoude zijn. Dien tengevolge keerde ik, na van des morgons % tot des namiddags 3 uur de rivier te zijn gevolgd, naar Hila terug, waar ik ten S ure aankwam, zoodat het onderzochte gedeelte eene uitgestrektheid van 4 uren gaans zal bedragen.

Door dit mijn eerste uitstapje overtuigd, dat het opsporen van den oorsprong der rivier meer hulpmiddelen dan de mijne vorderde, zag ik van eenen tweeden togt af en keerde naar Amboina terug.

Ten slotte moet ik hier nog bijvoegen , dat ik bij het inzen- den dezer bijdrage aan de Natuurkundige Vereeniging, foutief had medegedeeld, dat het tingehalte van enkele tingronden 70 tot 77 procent bedraagt. Deze opgave is overdreven en moet zoo verstaan worden, dat het moedergesteente ongeveer 10 procent erts bevat, en de erts 70 tot 77 pCt. tin (vergelijk dit tijdschrift Jaarg. IL p. 669).

KWIKMIJNEN OP SUMATRA,

DOOR

GG. WASSINK.

Toen eenige jaren geleden de rijkdommen van Californië en nu zeer onlangs van Sydney ontdekt werden, steeg er een kreet van verwondering op van zoodanig prikkelend en betooverend vermogen, dat duizenden uit alle deelen der wereld derwaarts snelden, en alles trotseerden om een’ hartstogt te bevredi- gen of bot te vieren, die door de meestal overdrevene of ongerijmdste verhalen uit die landen tot eene ongehoorde hoogte was opgewekt. |

Onder zulke omstandigheden, waarin zelfs de bedaardste mensch niet dan van gouden bergen droomde, kon het niemand ver- wonderen, dat onze landgenooten door den handel eenig voor- deel zochten te trekken van den toestand waarin Californië zich bevond. Meer verwondering heeft het evenwel gebaard, te ver- nemen, dat sedert dien tijd de reeds zoo lang sluimerende Hol- landsche spekulatiegeest is beginnen te ontwaken en wat daarbij opmerkingswaardig is, ten voordeele onzer eigene bezittingen.

Ik meen dezen gelukkigen ommekeer of beter verandering te mogen toeschrijven: ;

ΰ. aan den geest des tijds, die thans meer dan ooit leert, om niet dan na rijp beraad, zelfs dan nog met de meest mo- gelijke voorzigtigheid, het zegel zijner bewondering te hech- fen aan hetgeen van verre en uit den vreemde komt, al heeft dit vreemde voor ons Hollanders nog zoo veel aan- lokkelijks , en derhalve tevreden te wezen, met datgene, wat voor de hand ligt.

109

go, Aan het gouvernement van Indië, hetwelk met alle zijne beschikbare middelen het belang der partikuliere in- dustrie bevordert en ondersteunt. De koncessie tot het aan- leggen en bewerken van tinmijnen op het eiland Blitong aan partikulieren, is alleen het gevolg van een van gouvernements- wege bevolen onderzoek naar de geologische gesteldheid

__ van dat eiland door den ingenieur van het mijnwezen den

heer Corns. pe Groor, terwijl verdere onderzoekingen door deskundigen naar den bodem van eenige plaatsen op Java, Borneo , Sumatra en Celebes zijn gelast. Onder een vrij- gevig gouvernement als het tegenwoordige, lijdt het geen’ twijfel of de koncessie van Blitong zal een opwekkend voor- beeld zijn tot andere ondernemingen en exploitatiën van schatten, die welligt weinig behoeven onder te doen voor die van Californië en Sydney.

Is het ons niet reeds in jeugdigen leeftijd geleerd, dat hef schoone, door de natuur zoo rijk bedeelde Sumatra schatten gouds, koper en ijzer, dit laatste gelijkstaande in hoedanigheid met het Zweedsche , bevat ?

De wijze les: „zoekt en gij zult vinden ,’ wacht dus slechts op hare toepassing. Misschien dat het volgende berigt, het- ‘welk mij door eene hooggeschatte handis toegezonden, de ge- dachte toepassing eenigermate zal bespoedigen. |

‚, Dat Sumatra kwik produceerde, was sedert geruimen tijd ‚„bekend. De aderen, die den erts (natuurlijke cinnaber) in het ‚Maleisch „lingam” genaamd , bevatten, zijn gelegen in dis- „„trikten, die direkt onder ons gezag behooren. Daaromtrent „goede en zekere berigten in te winnen is bij de listige en ‚> wantrouwende geaardheid, die den Maleijer kenmerkt, aan „zwarigheden onderhevig en vordert eene grondige kennis „van het volk, veel geduld en overleg. Het mogt den resident „der Padangsche bovenlanden, den onvermoeid werkzamen „en verdienstelijken luitenant-kolonel Van per Hart, gelak- „ken, inlichtingen te erlangen, die aan een daarop in te „Stellen onderzoek eene goede uitkomst beloofden. Nu ver- », zocht hij den heer Netrscrer, adsistent resident van Tanah Da-

110

‚tar, zich plaatselijk van de gesteldheid van zaken te overtui- „gen. Aan de onderneming waren vele moeijelijkheden en ge- „> varen verbonden. Wilskracht en bekwaamheid waren onont- beerlijke vereischten om tot een welgelukken te geraken. Het „behoeft niet gezegd te worden, dat de heer Nerscurr zijne „„zending goed volbragt.”

„In het kort zij hier medegedeeld, wat mij daarvan mogt ‚‚ter oore komen.”

‚„De bekende ader, die zeer uitgebreid en verscheidene palen „lang is, wordt aangetroffen aan den voet van een’ op zich zelven staanden berg Goenong Soempoeng genaamd. Deze is ge- „„legen in de III Kotta's, welk distrikt, bij gelegenheid ‚der invallen van de grensvolkeren op onze bezittingen in het „Jaar 1848 , bij ’s vijauds vervolging door onze troepen be- „„zocht, doch daarna weder verlaten werd. De cinnaber wordt „niet alleen op de oppervlakte der aarde gevonden, doch bij „„ingravingen verkrijgt men den rijksten erts. Op vijftien voet „diepte (dieper is men nog nict gegaan), treft men de lin- „gam, die tot nu toe door wassching verkregen is aan tot in „stukken van 5 à 6 thails zwaarte.”

‚> De minst rijke grond, die aan de oppervlakte der aarde, „geeft bij wassching op een’ dag 6 en meer thails erts. Een ‚, dag werks van een’ Maleijer bestaat uit slechts weinige uren ‚van middelmatige inspanning, terwijl de overige uren met „eten, drinken, rooken enz. gesleten worden. Hieruitis af te „leiden, wat bij eene nijvere behandeling van eene rijkere grond- „laag te erlangen zou zijn.”

‚In den handel komt de cinnaber en het kwik voor. Het „laatste verkrijgen de Maleijers door verdamping. Deze be- > werking is der vermelding waardig. De fijngemaakte lingam „doen zij in een’ gewonen aarden pot, gewoonlijk p.m. acht ‚‚thails, en daarover een aarden deksel. Om de ontsnapping „van den damp langs de randen van het onvolmaakt sluiten- „de deksel tegen te gaan, wordt daar langs eene soort van „rijpe pisang, pisang-lidi genaamd, ingewreven. Hieronder „nu wordt een houtvuur gestookt en gedurende de bewerking

|

111

id

„9 à 4 malen het deksel afgenomen, waartegen het kwik zich „heeft gezet en dit daarvan met een wollen lapje afgeveegd. „In den pot blijft eene witte asch over.

„Langs dezen zeer gebrekkigen weg, levert de erts 80°/% „zuiver kwik op. Dat eene betere bewerking meer opleve- ‚‚„ren zou, lijdt geenen twijfel. Opgaven daaromtrent geven „volgens Gursourr 86,21 pCt. en volgens Sersrröm 86,29 pCt.

‚‚De omstreken der mijn zijn onbewoond; de exploitatie is * „dan ook gering. De omstreken bevatten zeer rijke goudmij- ‚‚„nen, waardoor de Maleijer met den geringsten arbeid over- ‚vloed kan hebben; iets, dat hij niet waardeert. De rijke kwikader kan dusals het ware beschouwd worden als nog in ‚, maagdelijken staat te verkeeren. Welke voordeelen aan eene „goede exploitatie daarvan verbonden zouden zijn is ligt nate- gaan.”

‚Hoezeer de prijs van het kwik aan de Europesche markt niet „zeer hoog is en vele rijke kwikaderen te Idra, Carniola eu „, Almaden in Spanje en ook in Californië ontgonnen worden, „> Schijnt hetechter, dat de exploitatie toch aanzienlijke baten af- „werpt. Ik herinner mij ergens het navolgende daaromtrent ‚gelezen te hebben.

„In Californië werd eene kwikmijn geëxploiteerd, Eensklaps ‚‚ klinkt de verbazende goudmare, en er was bijna geen arbei- „der meer te houden. Door het toeleggen van buitengewone „„loonen werden zij echter overgehaald, het zekere boven het „onzekere te verkiezen. De ondernemers konkurreerden dus „„als het ware tegen de rijke goudproduktie. Het mogt hun ‚gelukken, die konkurrentie volte houden en nog steeds aan- » Zienlijke winsten uit hunne ontginningen te trekken.”

„Uit het bovenstaande is dus gereedelijk af te leiden, dat „de exploitatie van het kwik op Sumatra eene uiterst winst- „gevende industriële onderneming zoude zijn. De natuur- „lijke rijkdom is dààr. Eenige Europesche en inlandsche s, werklieden zouden voor zekere matige loonen der onderne- ming wel hunne krachten leenen. Er blijft nu slechts één moeijelijkheid en deze is van veel gewigt. Hoe namelijk het

k

„kwik af te voeren? Eenige palen van de ader foopt de „rivier Batang hari, die zich later met den Djambi-stroom veree- » nigt, geheel bevaarbaar is en in acht dagen (dit is de tijd, „die de Maleijers er voor bezigen) kon zonder moeite het pro- | ‚„‚dukt langs dien weg te Moeara kompeh worden aangebragt. ‚Het terrein tusschen de kwikader en de rivier biedt geene „> moeijelijkheden aan tot het daarstellen van eenen goeden weg. „Het land echter tusschen de Batang hari en Djambi is niet „onder ons gezag, zoodat daardoor de afvoer zoude kunnen” ‚‚ bemoeijelijkt worden.”

Ter voorkoming van verkeerde uitlegging of gevolgtrekkin- gen teeken ik evenwel aan, dat bedoelde moeijelijkheden vol- | gens de meening van zaakkundigen behooren tot die, welke op eene gemakkelijke, niet kostbare wijze uit den weg te ruimen zijn. Uit de vermelde mijnen heb ik eene zekere hoe- veelheid kwikerts, en op de hiervoren genoemde wijze bereid kwik ontvangen, en het tot het doen van onderzoek in handen gesteld van den iijverigen en kundigen chemist, den heer Scuarrer, die de goedheid zal hebben, het resul- taat zijner onderzoekingen zoo spoedig mogelijk bij wijze van aanhangsel op dit berigt openbaar te maken.

112

Batavia, den Îfden Maart 1852.

D RAGE N

TOT DE

GEOLOGISCHE EN MINERALOGISCHE KENNIS

VAN

NEDERLANDSCH INDIE

DOOR

De Ingenieurs van het Mijnwezen in Nederlandsch Indië (1).

EE.

CHEMISCH ONDERZOEK VAN ZWART ZAND EN EEN ZWART MINERAAL VAN DE ZUIDOOSTKUST VAN BORNEO EN POELOE-LAWUT.

DOOR

O.E.U J.J. HUGUENEN.

In den loop van de maand December 1850 werd mij door den heer Corxs. pe Groor eenig zwart zand, en eene zwarte vaste mineraalmassa ter onderzoeking overhandigd. Zand en mineraal waren hem aangeboden door den heer W. June, welke het op het zeestrand te Pagattan en Poeloe Lawut had aangetroffen en verzameld. In een’ brief, welke deze voorwer- pen vergezelde, deelde genoemde heer Inne mede, dat het

(1) Onder dezen algemeenen titel zullen achtereenvolgens openbaar ge- maakt worden de resultaten der natuurkundige werkzaamheden van de heeren ingenieurs van het mijnwezen in Nederlandsch Indië. De Bijdrage van den ‚heer Corxs. pe Groor over Bawean, in den vorigen jaargang opgenomen, is als de eerste dezer verhandelingen te beschouwen.

HIL, Gj

114

zand, tilaanijzerzand door hem genoemd, waarmede het in ui- terlijk aanzien vrij wel overeen kwam, zeer waarschijnlijk ont- staan was uit het verbrokkelen van den vasten erts door de gol- ven der zee.

Ik heb ook inderdaad geen verschil hoegenaamd, behalve den aggregatie-toestand, tusschen het zand en den erts kunnen vin- den; slechts waren meerdere zeezandkorrels bij het eerste ge- mengd. Beiden zijn afzonderlijk door mij kwalitatief onderzocht, en wat hieronder van het zwarte zand vermeld staat is ook op den erts volkomen van toepassing.

Met het mikroskoop gezien , bestond het zand uit afgeronde gladde korrels van ongelijke gedaante en bruinachtig zwarte kleur met metaalachtigen vetglans; de korrels waren volkomen glanzend zwart, en onder de honderden, welke door mij naauwkeurig bezigtigd zijn, heb ik eene kristalachtige gedaante aan slechts twee korrels waargenomen, namelijk de octaëder. Zij waren te onvolkomen en de hoeken en kanten te veel afgerond om eenige bepaling van het stelsel, waartoe zij behoorden te veroorloven. Bij 29° C. was het spec. gewigt 4,561.

Het zeer fijn gemaakte drooge poeder was bruinachtig zwart, waardoor het reeds dadelijk van titaanijzer afwijkt. Voor de blaaspijp in de oxydatievlam waren de korrels onveranderlijk , doch een hevig reduktie-vuur rondde de kanten eenigzins af.

Het zeer fijne poeder met borax en phosphorzout in de oxy- datie-vlam behandeld , hadden de parels, warm zijnde, de beken- de ijzerkleur; bij de bekoeling werden zij groenachtig, en geheel koud fraai groen. De kleur was bij de phosphorzout- parel helderder, dan die van de borax ; deze laatste was meer geelachtig. In de reduktie-vlam had men dezelfde verschijnse- len ; de geheel bekoelde parel bezat de intensief schoon groene kleur , welke zuiver chromiumoxyde aan de glasvloeden me- dedeelt.

Alhoewel de groene kleur der borax-parel in de oxydatie- „en reduktie-vlam allen twijfel omtrent het aanwezen van chro- mium weg nam, is ten overvloede een deel der zeer fijn gemaakte stof in een’ platinalepel met soda en salpeter zamen-

115

gesmolten. De gele zoutmassa, in water opgelost en gefiltreerd, liet op het filtrum een bruingeel poeder achter, dat zoowel voor de blaaspijp als langs’ den natten weg slechts de reaktiën van iijzer gaf.

Volgens een kwantitatief onderzoek van den heer RosrT van TONNINGEN, die binnen kort omtrent dezen erts meerdere berigten zal mededeelen, is het op 100 deelen aldus zamengesteld,

23,434 chroomijzer. 63,550 ijzeroxyde en oxydule. 9,771 zand en 2,987 aluinaarde. Te zamen 99,742 0,258 verlies.

100,000;

hamse

waaruit volgt, dat de gevonden erts een mengsel is van iijzer- zand met chroomijzer.

De heer Inne zegt betreffende de wijze van voorkomen het volgende:

„Aan de zuidoostkust van Borneo, en wel bepaaldelijk aan „het strand in de nabijheid van Pagattan, even als aan de „tegenoverliggende kust van Poeloe Lawut, vindt men eene zeer „aanzienlijke hoeveelheid zwart zand, hetwelk op het oog vol- ‚maakt overeenkomt met het in de natuur zoo menigvuldig „voorkomende titaanzand. Het is niet algemeen langs het „Strand verspreid, maar wordt meer plaatselijk, eenige ellen „breed en een half el en meer dik opgehoopt, aangetroffen , | „en meestal uitgaande van een punt boven de hoogwaterlijn „gelegen en breed op de grens van de laagwaterlijn ein- „digende. Dit alles scheen mij bepaald aan te duiden , dat „de erts, waarvan het zand afkomstig was, zeer nabij de „Vindplaats van hetzelve moest aanwezig zijn. Eenige gra- „Vingen op het strand te Pagattan leverden geen resultaat op. „Aan de kust van Poeloe Lawut was ik gelukkiger.”

116

„Op deze merkwaardige kust vond ik weder eene groote „hoeveelheid van het bovengenoemde zwarte zand, en op de- „zelfde wijze verspreid als te Pagattan het geval was. De „oorsprong of aanvang van de zandmassa verloor zich in een „naauw, in den kleiachtigen oever uitgespoeld hol, in het- „welk ik dan ook bij nader onderzoek de vaste ertsmassa vond, welke met het boveneinde slechts weinig boven den kleibo- „dem van het hol uitstak. Haar eenige voeten aan alle zijden „ontblootende, bleek het ten duidelijkste een depôt van zeer „grooten omvang te zijn.”

Waarschijnlijk vindt men daar ter plaatse graniet, serpentijn of andere plutonische gesteenten als vaste bergmassa’s en zul- len ook andere metalen en mineralen bijv. platina en goud niet afwezig zijn. De heer De Groot, die binnen kort deze streken _ zal bezoeken, zal daaromtrent zeker wel nadere berigten kunnen _ mededeelen.

BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

Chronologisch overzigt der vulkanische verschijnselen op Java, gedurende het jaar 1851.

Het volgende overzigt der aardbevingen op Java in 1851, heeft de redaktie te danken aan den heer J. Haarman Jcz. Het sluit zich aan dat, voorkomende in het Natuurkundig tijdschrift, Îste deel, bladz. 463, hetwelk loopt over het jaar 1850. __ De heer Haarman heeft slechts van twee aardstortingen in

het jaar 1851 , namelijk op den 13den en 1Î6den Januari, melding gemaakt gevonden (Javasche Couranten N°. 11 en 14), en deze waren van weinig aanbelang.

6D je cle 5 E © È eit E ES eve 5e Aardbevingen. > zeis on pe ele) Se { © OB se En D == . = ad 2 5 & > A NEER lee Deet une ereen naer Th obers "Batt eee k 24 Jan. | Ter hoofdplaatse Ke- | diri: drie kort op elkander volgende vrij hevige schokken, voorafgegaan door een onderaardsch ge-| Z. 0. 5 uur LK, 14 druisch. namidd. 4 Mei. | Te Batavia: ligte;Horizontaal.| 34 uur Nat. Tijds. schokken, gedurende namidd. II. 180.

eeniges"konden, De- ze werden meer ge- voeld in de Lampongs gedurende 5 minuten op hetzelfde uur , bij windstilte en hooge;Horizontaal. 8 u. 8m. (N.M, +4d. 46

zee. 89 gr. Fahr. Z.W.-N.0. 29 Aug. | Te Batavia: ligte

schok. 2 2u.53m.'N.M.+3d.f Nat. Tijds. | 29 Sept.| In het zuiden van namidd. II. 523.

Banjoemas. Ook in zee, in de nabijheid|Z.0.-N.W.\ Vroegen 3d. —E.K. 83 der kust. Vertikaal. | morgen.

|

30Okt. | In de residentie hevige schok. Horizontaal. 8u. ’sav. B. K. +1d. 84

(Banjoemas; een vrij

N 118 |

De heer Haarman drukt den wensch uit, dat de chronolo- gische overzigten mogen vervolgd worden van de vulkanische gebeurtenissen in de bezittingen buiten Java, die vroeger in het Zdschrift voor Nederlandsch Indië, het Natuur- en Ge- neeskundig Archief voor N. Indië en het Indisch magazijn me- degedeeld zijn, welke wensch ook is die der redaktie.

Aardbevingen in de Molukken in het laatst van 1851.

Volgens de Javasche Courant van den 1Îden Februarij j. 1. zijn op den 97sten Augustus en den Ssten Oktober 1851 te Ternate eenige schokken van aardbeving gevoeld.

Te Amboina en in de afdeelingen Saparoea, Haroeko, Hila en Larieke hadden, volgens dezelfde Courant van den 21sten Februarij j.l, in den nacht van den 20sten November 1851 twee schokken van aardbeving plaats, welke geene schade heb- ben aangerigt, De officier van gezondheid íste kl. te Amboina, de heer J. HarrzreLp, heeft aan den chef der geneeskundige dienst in Nederlandsch Indië, omtrent deze laatste aardbeving de vol- gende bijzonderheden medegedeeld.

In den nacht van den 20sten op den 2ísten December 1851 ten Íf ure 55 min., werd te Amboina eene hevige doch kort- durige aardbeving waargenomen, die alle gedurende dit jaar plaats gehad hebbende schokken in intensiteit overtrof en eene vertikale rigling scheen te hebben. Tien minuten later volgde een tweede, doch minder hevige schok. Beide schokken werden voorafgegaan door een duidelijk waar te nemen onder- aardsch geraas, veel overeenkomst hebbende met het geluid van den donder. Op de ziekte-konstitutie had dit natuurver- schijnsel , althans tot op den datum der mededeeling (29 Nov.), geenen merkbaren invloed gehad. Het volgende is een extrakt van het meteorologisch journaal, gehouden te Amboina op den 20sten November 1851.

119

Pifferentiaal thermometer: smorgens ten 6 uur: droog 24.8; nat 5) 9 1 7 28.8 is namiddags. 3, PEREN 705 Ae ’s avonds It CE BER ri Der Barometer ’s nachts omtreeks ten 12 uur, 753 m.m.; wind- rigting den geheelen dag westelijk. Wolkformatie: 's morgens cumulus; ’s middags nimbus; ’s nachts stratus. Regen: van ’s namiddags 3 tot ’s nachts ÎΣ uur stortregen. Onweder : ’s namiddags 3 uur, matig onweder in het westen.

Lo

bo ro Pe ED ie

be dit

Aardbeving in westelijk Java en zwidelijk Sumatra op den Îden Januari 1852.

In de residentiën Bantam en Batavia, de afdeeling Buitenzorg en in de Lampongsche distrikten zijn, in den namiddag van den Oden Januarij Il. , even na 6 uur, eenige schokken van aardbeving gevoeld, waaromtrent de volgende bijzonderheden zijn aangeteekend. Ei

Te Batavia hadden, met tusschenpozingen van verscheidene minuten, twee vrij zware en eenige minder sterke schokken plaats, welke echter, voor zoo ver bekend is, geene schade hebben te weeg gebragt. Een der schokken moet geweest zijn ten 6 uur 9 minuten, daar eene astronomische klok van KNeBeL op dat tijdstip is stil blijven staan. Eene andere astronomische klok werd ook gestopt en de eerstgenoemde is niet zonder de hulp van den instrumentmaker weder aan den gang kunnen gebragt worden. De gang van eene derde as- tronomische klok, die van Houwu NO. 12, is bij die gelegen- heid 3 sekonden versneld. Men meent uit het aangevoerde te „mogen besluiten, dat de aardbeving in oostelijke en westelijke rigting heeft plaats gevonden.

120

Te Buitenzorg was de schudding ook vrij hevig, zonder even- wel schade aan te rigten.

Te Tjiringin (Bantam) voelde men drie zeer zware schok- ken en vier ligtere, kort op elkander volgende, en een’ circa twee minuten aanhoudenden. De rigting was van het oosten naar het westen, terwijl een zwaar onderaardsch gedruisch zich deed hooren. De eenige schade, door dit natuurverschijn- sel veroorzaakt, was het instorten van de kap van het dak van den ouden mohammedaanschen tempel.

Te Serang (Bantam) is een vrij hevige schok waargenomen,

Te Telok betong (Lampongs) had, volgens de opgave van den militairen en civielen gezaghebber den heer J. E. H. Jucu, de aard- beving plaats omstreeks ten 6 u. 25 m. Het was stil, doch had des morgens een stijve n.o. en des middags een stijve n. w. wind gewaaid. Het weder was droog; de thermome- ter teekende 81 gr. Fahr. De aardbeving duurde ruim 3 mi- _nuten. De schokken waren horizontaal en hevig, met twee kleine tusschenpozingen. De rigting scheen van het z. w. naar het n. o. te zijn. De gebouwen in het algemeen heb- ben geleden. Des avonds ten 8 ure ruischte de zee meer dan gewoonlijk, hoewel de vloed reeds een’ aanvang had genomen. Het water steeg op eens zeer spoedig; kleine vaartüigen, die niet vlot lagen, werden in beweging gebragt. De zee daalde daarop even spoedig en steeg vervolgens weder hooger en spoe- diger. Dit verschijnsel herhaalde zich eenige malen. De stij- ging der zee is echter niet hooger geweest dan de hoogste stand bij de hoogste vloeden. De thermometer wastoen reeds gedaald tot 78° Fahr.

Aardbeving inde residentiën Madioen en Kediri en in de afdeeling Patjitan, den Qlsten Januari 1852.

Te Kediri zijn op den 27sten Julij jl. des morgens ten zes ure, eenige schokken van aardbeving gevoeld, voorafgegaan door een onderaardsch gedruisch in de rigting van het zuidwesten,

en eindigende met een’ zwaren schok, welke evenwel geene schade aan de gebouwen heeft toegebragt.

In de residentie Madioen werden op gezegden datum, des morgens ongeveer zeven ure, insgelijks eenige schokken van aardbeving waargenomen, in de rigtiug van het oosten naar het westen, en in de afdeeling Patjitan gingen zij verge= zeld van een dof onderaardsch geluid (Javasche Couranten van 11 en 21 Februarij 1852).

Koffij-thee.

In de Astrea, Tijdschrift voor Schoone Kunst, Wetenschap en Letteren, 9de Aflev. bladz. 285, komt volgend artikel voor omtrent de in den laatsten tijd meer ter sprake gebragte koffij- thee, welke artikel hier eene plaats gegeven wordt, om de aandacht der belanghebbenden daarop meer algemeen te vestigen.

„Wij gaven onlangs te kennen, dat het ons aangenaam zou zijn , nosrgaals op het gewigtige onderwerp der koffij-thee terug

te zullen kunnen komen. Dit is thans het geval, daar de ge-

achte Leidsche hoogleeraar Bruur ons ter plaatsing toezond den brief, door hem, reeds voor nagenoeg twaalf jaren, be- trekkelijk deze aangelegenheid, aan den toenmaligen minister van koloniën geschreven.

Die belangrijke missive volgt alzoo hieronder. Overigens hebben wij nu ook het oorspronkelijk schrijven van den En- gelschen scheikundige Garpner (Augustus 1845) onder het oog gehad, en daarin de voorstellen gevonden, door dien vreem- deling aan onzen vereerden landgenoot gedaan, doch door de- zen, geheel onbaatzuchtig, van de hand gewezen, als liggende het enkel in het plan van den hoogleeraar Brume, om zijn we- tenschappelijk denkbeeld uitsluitend ten voordeele van Nederland

in praktijk te zien gebragt, zonder daarbij eenig persoonlijk

belang, van welken aard ook, in te mengen. De brief, die

hat

Kk

122

hier volgt, strekt daarvan ten overvloedigen bewijze. Intusschen twijfelen wij niet, of de eer der witwinding, welke de heer GARDNER zich zoo roekeloos aanmatigde, zal hem wel spoedig ontvallen, nu het wetenschappelijk publiek met de juiste toedragt dezer opmerkelijke zaak alome meer en meer volledig bekend begint te worden”.

Leiden, den 14den Maart 1840.

Aan den heer staatsraad J. C. Baup, Minister ad interim van Koloniën.

Het onderhoud, hetwelk ik de eer had, ongeveer acht da- gen geleden, met uwe excellentie over onderscheiden voor- werpen van kultuur op Java te voeren, noopt mij, om aan het door uwe excellentie uitgedrukt verlangen te voldoen, en mijne denkbeelden over een en ander nader uit elkander te zetten. Ik doe dit des te liever, daar ik bij ondervinding weet, hoezeer de voortgang en uitbreiding der kultuur in de Neder- landsche bezittingen uwer excellentie ter harte gaan, en hoe groot het aandeel is, hetgeen haar aan den hierdoor thans zoo

bloeijenden toestand onzer Oost-Indische koloniët, volgens _

mijne overtuiging , toekomt.

Tot de takken van kultuur, welke in de laatste jaren op Java, voorzeker niet zonder een, van den beginne af aan, veel belovend vooruitzigt gedreven, en diensvolgens van regerings- wege krachtdadig ondersteund zijn, behoort vooral die van de

thee. Het is dan ook buiten twijfel, dat dit nieuwe produkt _ voor onze koloniën bij voortduring de meeste belangstelling verdient, omdat bijna geheel Europa en de Vereenigde Staten _ van Amerika daarvoor aan China, als het ware, cijnsbaar zijn geworden en jaarlijks onmetelijke schatten betalen, terwijl geen ander handelsartikel zooveel toebrengt, om den koophandel „Teven bij te zetten. Nogtans verschilt het klimaat en de ge-— steldheid van den grond op Java en in andere gedeelten van den Indischen Archipel zoo zeer met die streken van China, ,

ne nd

123

waar deze belangrijke kultuur vooral te huis behoort, en van

_ waar de beste theesoorten alleen afkomstig zijn, dat er bij mij

f | |

groote twijfel bestaat, of men wel ooit er in zal kunnen sla- gen, om op Java eene soort van thee te produceren, die zich

door hare goede hoedanigheid in den handel kan staande hou-

den, en of die kultuur aan de van regeringswege daartoe be- steede sommen zal beantwoorden. Dan dit daargelaten zijnde, blijft het desniettegenstaande eene zaak van groot gewigt, zoo men in Nederlandsch Indië, al is het dan ook slechts eene mindere kwaliteit van dit produkt, in zeer groote hoeveelheid en tot een’ bijzonder lagen prijs, kan aankweeken. Immers, de grootste konsumptie van dit artikel bepaalt zich juist tot de mindere en goedkoopere soorten. Nu hebben bij mij eenige, wel is waar slechts op eene zeer kleine schaal ondernomen, proeven genoegzaam de overtuiging doen geboren worden, dat wij tot de produktie van zoodanig eene mindere kwaliteit van thee, die evenwel nog voor den handel geschikt is, en daaren- boven veel goedkooper dan de minste soorten, die uit China worden aangevoerd, kan geleverd worden, het geschikte plant- gewas alreeds in de Nederlandsche koloniën, en dat wel in zulk een buitengemeen grooten overvloed bezitten, dat, zoo mijne waarnemingen bevestigd mogten worden, dan ook nood- wendig de voor het hemelsche rijk tot dusverre zoo voor- deelige produktie van thee tot in hare grondvesten zal worden geschokt. Dit zal bij uwe excellentie geen nader betoog be- hoeven, wanneer ik herhaal, dat de bladen van den Arabi- schen koffjboom mij daartoe bijzonder geschikt voorkomen, van dien boom, waarvan de invoering op Java aânvankelijk zoozeer is tegengewerkt, en die thans de hoofdbron van den voorspoed èn der Nederlandsche koloniën, en van den handel van het moederland geworden is. Ik ben tot deze waarneming ge- leid geworden door eene zeer belangrijke ontdekking van onzen bekwamen en verdienstelijken scheikundige, den heer G. J. Morprr, hierin bestaande, dat de eigenlijk werkza- me stof, die in de koffij en thee is hevat, niet, zoo als men tot dusverre geloofde, van elkander verschillend, maar

124

volkomen dezelfde is, en, voor zoover bekend, alleen in deze beide produkten, welke zoo algemeen onder alle beschaafde volkeren als dagelijksche drank zijn aangenomen, wordt aan- getroffen. Ik zou te wijdloopig worden, indien ik nu uwer excellentie uit een zetten wilde, hoe ik door deze ontdekking op het denkbeeld ben gebragt, dat hetzelfde werkzame beginsel, men moge het coffeine of theïne noemen, ook in de bladeren van den koffijboom aanwezig kan zijn, zoo als zulks door de gemaakte proefnemingen buiten allen twijfel is gesteld. Alleen moeten deze proefnemingen, gelijk ik boven reeds aanmerkte, uit hoofde van de moeijelijkheid, om mij eene genoegzame hoe- veelheid koffijbladeren uit onze warme kasten aan te schaffen, nog als te ontoereikend beschouwd worden, om reeds nu da- delijk met zekerheid te bepalen, dat de thee, uit de bladeren van den koffijboom bereid, ín alle opzigten voor den handel geschikt zal zijn. Dit moet door herhaalde, en vooral op eene groote schaal aangestelde proefnemingen nog nader worden be-_ vestigd. Men mag evenwel uit de daadzaak, dat hetzelfde werkzame beginsel in de bladeren van den koffijboom, even als in die van de theeplant vervat is, a prior eene gunstige gevolgtrekking opmaken, ofschoon het niet te ontkennen valt, dat de bereiding van beide planten vermoedelijk zekere wijzi- gingen zal dienen te ondergaan, zoo als zelfs reeds het geval is met de verschillende soorten van thee, die in China van hetzelfde gewas gewonnen worden.

Door al het gezegde geloof ik de bevreemding, die het door mij aangevoerde noodwendig bij uwe excellentie verwekken moest, eenigermate te hebben weggenomen, terwijl daaren- boven nog andere, meer of min algemeen op Java bekende daadzaken, strekken kunnen, om mijne vooronderstelling, dat de bladeren van den koffijboom ter bereiding van eene voor den handel geschikte theesoort kunnen dienen, te bevestigen, en daarom verdient hier kortelijk te worden aangestipt:

ΰ. Dat de geringere klassen der Javanen algemeen de bla- deren van den koffijboom, even als wij de thee, tot drank gebruiken, en men niet kan vooronderstellen, dat zij daartoe

125

aan deze uitheemsche plant de voorkeur zouden geven, indien

hun een daartoe geschikt gewas, dat op Java te huis behoort,

bekend was.

20, Dat zelfs de tegenwoordig met de theekultuur belaste ambtenaar JacoBsoN, die, zoo ik mij niet vergis, in der tijd

j door de Nederlandsche handel-maatschappij als theeproever | naar China is uitgezonden, zich door den resident van Kra- wang met thee, uit de bladeren van den koffijboom bereid, j zoozeer liet misleiden, dat hij, JacoBsoN, verklaarde, dat de hem daarvan tot herhaalde beproeving voorgezette thee , voor- zeker tot debeste soort behoorde, die tot dusverre op Java gewonnen was, wel te verstaan van de uit China ingevoerde \ theeplant.

Doordrongen van het gewigt eener zaak, waaruit, zoowel

| voor onze koloniën, als voor het moederland de gewigtigste | | uitkomsten kunnen voorspruiten, durf ik uwer excellentie des | te meer aanraden, om haar tot het onderwerp van een grondig onderzoek te maken, daar zulks zonder eenig bezwaar | voor den lande zou kunnen geschieden. Daarbij komt het mij echter raadzaam voor, om de geheele zaak met de meest mo- | gelijke geheimhouding te behandelen, zoowel hier te lande , als in Nederlandsch Indië, en de bereiding der thee uit koffij- | bladeren op Java zelf aan zoodanige personen op te dragen, | die tot de aldaar bestaande theekultuur volstrekt in geene be- | trekking staan. Alhoewel dit onderzoek hier te lande alleen jn het klein kan plaats hebben, zou het echter der moeite | waard zijn, om het ook hier door eenige onbevooroordeelde | personen te laten voorzetten, daar, in allen gevalle, deze proef- | nemingen uitkomst kunnen geven, welke analogie er tusschen de thee, uit koffijbladeren bereid, en die van den Chineschen \ theeheester, bestaat; of die van het eerstgenoemde gewas in j hare phijsische en chemische eigenschappen met de in den han- | del voorkomende geringere soorten van China-thee genoegzaam

overeenkomt, zoodat men gegronde hoop mag voeden, om

j daarvan partij te kunnen trekken. Het lijdt bij mij geen twij-

| fel, dat eenige kundige mannen, alleen om het belang der zaak,

en zonder op eenige belooning aanspraak te maken, van re- geringswege met deze taak zich gaarne zullen belast zien.

Ik eindig met de verzekering, dat, zoo uwe excellentie daarin belang stellen mogt, ik gaarne mijne opmerkingen over _ eenige andere voorwerpen van kultuur, die, mijns erachtens, _ voor onze Oost-Indische bezittingen geschikt zijn, aan haar zal _ mede deelen, terwijl ik de eer heb, mij, met gevoelens van ware hoogachting , te noemen: |

C. L. Brume.”

Tentoonstelling te Batavia te houden in 1853.

Ten vervolge op het voorkomende in het algemeen verslag, aan het hoofd dezer aflevering geplaatst kan medegedeeld wor- den, dat de Vereeniging, overeenkomstig haar plan, het be- # heer der tentoonstelling overgedragen heeft aan de algemeene & kommissie, welke het haar gelukt is zamen te stellen, en dat \ de regering deze handeling heeft goedgekeurd. Van de vor-_ deringen dezer tentoonstelling zal van tijd tot tijd, bij nog be- & staand gebrek in Indië van een orgaan voor industrie en volks-_ vlijt, ín dit tijdschrift melding gemaakt worden. |

Wij laten hier thans volgen het regeringsbesluit van 25 Febr. 1852 No. 3, alsmede de cirkulaire van de kommissie tot het beheer der tentoonstelling van 6 Maart 1852. |

Esxtrakt uit, het register der beslut ten van den gouverneur generaal van Nederlandsch Indië. |

Batavia, 25 Februari 1852.

Gelezen de missives: a. van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië,

127

van 15 en 22 December 1851 en van {7 Februarij 1852 No. 3;

b. van de Kommissie tot het beheer der tentoonstelling te Batavia, van 17 Februarij 1853 lett. K. F. No. 1; De Raad van Nederlandsch Indië gehoord; Is goedgevonden en verstaan: Eerstelijk: Aan de kommissie tot het beheer der tentoonstel ling te Batavia, te kennen te geven, dat er bij het gouverne- ment geene bedenkingen bestaan. | 10. dat eene tentoonstelling van Voorwerpen van industrie en volksvlijf uit den Indischen Archipel worde gehouden te Batavia in September 1853; f

20, dat door de kommissie worde rondgezonden eene intec- kenings-lijst, ten einde de noodige gelden bijeen te bren-_ gen, tot bestrijding der uitgaven aan gezegde tentoonstel ling verbonden; en dat, indien de tentoonstelling een ba- tig saldo overlaat, zulks worde aangewend tot eenig nuttig doeleinde.

Ten tweede: Aan de kommissie voornoemd, toe te zeggen, zoodanige hulp als zonder geldelijke uitgaven, noch stoornis- sen in de dienst, kan verleend worden.

Ten derde: De gouverneurs en residenten op en buiten Java aad te schrijven , om het plan en doel der in September 1853 te Batavia te houden tentoonstelling van voorwerpen uan in- dustrie en volksvlijt uit den Indischen Archipel, aan de be- volking bekend te maken en deze aan te moedigen om bijdra- gen in te zenden, alsmede om te bevorderen de verzameling en verzending van al de voorwerpen, welke kunnen bijdragen, om de volksvlijt en de produkten van de onder hun bestuur of invloed staande gewesten te doen kennen.

Ten vierde: Te bepalen, dat zal worden verleend vrijdom van in- en uitgaande regten voor de voorwerpen, bestemd voor de tentoonstelling , afkomstig van buiten. Java.

Ten vijfde: Te bepalen, dat het plaatsen in de Javasche Courant van berigten betreffende de tentoonstelling kosteloos zal geschieden.

128

Ten zesde: Aan de kommissie voornoemd toe te staan, om met de respektive autoriteiten op en buiten Java, door tus- _ schenkomst van den direkteur der kultures , officiëel te korres- ponderen.

Ten zevende: Aan meergemelde kommissie te kennen te ge- ven, dat nadere voorstellen zullen worden afgewacht no- pens de verwezenlijking van het denkbeeld, om het reizen herwaarts en het verblijf alhier voor inlanders, die de ten- toonstelling willen bezoeken , van gouvernementswege te be- vorderen en gemakkelijk te- maken.

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den raad van Nederlandsch-Indië, tof informatie, en extrakt verleend aan den direkteur der produkten en civiele magazijnen, den direk- teur der middelen en domeinen, den direkteur der kultures , de algemeene rekenkamer, de gouverneurs en residenten op en buiten Java, de natuurkundige vereeniging in Nederlandsch Indië en de kommissie tot het beheer der tentoonstelling te Batavia, tot informatie en narigt.

Akkordeert met voorschreven register. De eerste adjunkt-sekretaris van het gouvernement,

DE WAAL.

Cirkulaire van de kommissie tot het beheer der Tentoonstelling, te hou- den te Batavia in de maand Sep- tember van het jaar 1853.

Eenigen tijd geleden werd